MESOBAB
(Meso̱bab) [Teruggekeerd (Teruggebracht); of misschien: Ontrouw].
Een van de Simeonitische oversten die een groot huisgezin hadden en die zich in de dagen van koning Hizkia van Juda meester maakten van de weidegronden van de Chamieten (Hamieten) en de Meünim in de nabijheid van Gedor. — 1Kr 4:34-42.