MEÜNIM
(Me̱ünim).
Op grond van de naam neemt men aan dat de Meünim een Arabisch volk waren dat woonachtig was in en om Maʽan, een stad die ongeveer 32 km ten OZO van Petra ligt.
De Judese koning Uzzia (829–778 v.G.T.) voerde met Jehovah’s hulp succesvol oorlog tegen de Meünim (2Kr 26:1, 7). Misschien werden destijds sommige gevangengenomen Meünim tot tempelknechten gemaakt en worden daarom hun nakomelingen later genoemd onder de Nethinim die uit de Babylonische ballingschap terugkeerden. — Ezr 2:1, 2, 43, 50; Ne 7:52; vgl. Ps 68:18.
Tijdens de regering van Hizkia (745–717 v.G.T.) sloeg een groep Simeonieten de Chamieten en de Meünim in de omgeving van Gedor neer. — 1Kr 4:24, 39-41; zie AMMONIM.