KEMUËL
(Ke̱muël).
1. Een zoon van Abrahams broer Nahor en zijn vrouw Milka; derhalve Abrahams neef. Kemuël had een zoon genaamd Aram. — Ge 22:20, 21.
2. Zoon van Siftan; een overste van de stam Efraïm. Hij was een van de twaalf mannen die door Jehovah via Mozes werden aangesteld om het land Kanaän onder de Israëlieten te verdelen; in deze onderneming vertegenwoordigde Kemuël de stam Efraïm. — Nu 34:16-29.
3. Een leviet en de vader van Hasabja, een leider van de stam Levi in Davids tijd. — 1Kr 27:16, 17.