JEÜS
(Je̱üs) [misschien: Moge Hij hulp verlenen].
1. Een zoon van Esau bij zijn Hevitische vrouw Oholibama. Jeüs werd in Kanaän geboren, maar later trok de familie naar Edom. — Ge 36:2, 5-8, 14, 18; 1Kr 1:35.
2. Een nakomeling van Benjamin; een krijger en de stichter van een van de families van zijn stam. — 1Kr 7:6, 10.
3. Een leviet uit de familie der Gersonieten; zoon van Simeï. Aangezien zowel Jeüs als zijn broer Beria slechts weinig zonen hadden, sloten hun nakomelingen zich in de tijd van David tot één vaderlijk huis aaneen. — 1Kr 23:7, 10, 11.
4. De eerstgenoemde zoon van koning Rehabeam, waarschijnlijk bij zijn vrouw Mahalath. Omdat Rehabeam meer hield van een andere vrouw, werd Jeüs met betrekking tot de troonopvolging gepasseerd. — 2Kr 11:18-23.
5. Een Benjaminiet; een van koning Sauls nakomelingen. — 1Kr 8:33, 39.