JEÜËL
(Jeü̱ël).
1. Een leviet die tijdens de regering van Hizkia meehielp bij het reinigen van de tempel; een nakomeling van Elizafan. — 2Kr 29:13, 15, 16.
2. Een na de ballingschap levende inwoner van Jeruzalem; hoofd van het Judese vaderlijk huis van Zera. — 1Kr 9:3-6, 9; Ge 46:12.