Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • it-1 ‘Jaäzanja’
  • Jaäzanja

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jaäzanja
  • Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Vergelijkbare artikelen
  • Jezanja
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Azzur
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Gedalja
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Rechabieten
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Inzicht in de Schrift, Deel 1
it-1 ‘Jaäzanja’

JAÄZANJA

(Jaäza̱nja) [Jehovah heeft het oor geleend (gehoor gegeven)].

Tegen het einde van het koninkrijk Juda schijnt dit een tamelijk gebruikelijke naam geweest te zijn; alle vier de mannen die in de bijbel met deze naam worden vermeld, leefden in dezelfde korte tijdsperiode. De naam is ook in Lachisbrief I gevonden, en op een in Tell en-Nasbeh ontdekte zegel staan de woorden: „Yaʼazanyahu, knecht [beambte] van de koning” (The Biblical Archaeologist, 1947, blz. 71). Er bestaat echter geen rechtstreeks bewijs dat door deze inscriptie een van de volgende personen geïdentificeerd wordt.

1. Een leider van de Rechabieten, die door de profeet Jeremia op bevel van Jehovah op de proef werden gesteld doordat hij hen naar een van de eetvertrekken van de tempel bracht en hun wijn te drinken aanbood. Zij weigerden te drinken omdat zij gehoorzaam wilden zijn aan het gebod dat hun voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, hun ruim 2 eeuwen voordien had opgelegd. Derhalve deed Jehovah hun de belofte: „Van Jonadab, de zoon van Rechab, zal niet worden afgesneden een man die voor altijd voor mijn aangezicht staat.” Jaäzanja was de zoon van een andere Jeremia. — Jer 35:1-10, 19.

2. Zoon van Safan; de enige persoon die in Ezechiëls visioen (612 v.G.T.) van de zeventig mannen die in de tempel te Jeruzalem voor gesneden afgodsbeelden reukwerk offerden, met name wordt genoemd. — Ez 8:1, 10, 11.

3. Zoon van Azzur; een van de 25 mannen die Ezechiël in een visioen aan de O-poort van Jehovah’s tempel zag staan. Over Jaäzanja en zijn metgezellen lezen wij: „Dit zijn de mannen die schadelijkheid beramen en slechte raad geven tegen deze stad”, en Ezechiël kreeg de opdracht tegen hen te profeteren. — Ez 11:1-4.

4. Een man die in de korte tijd onmiddellijk na de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs een militaire overste van Juda was. Jaäzanja (of Jezanja, zoals zijn naam soms wordt gespeld) behoorde tot degenen die de benoeming van de stadhouder Gedalja bereidwillig ondersteunden (2Kon 25:23; Jer 40:7, 8). Vermoedelijk was hij erbij toen „al de oversten van de strijdkrachten” Gedalja waarschuwden dat Ismaël hem wilde doden, en nadat Ismaël Gedalja werkelijk had vermoord, joegen zij Ismaël na en brachten degenen die hij gevangen had genomen, terug (Jer 40:13, 14; 41:11-16). Jezanja was een van de leiders die aan Jeremia vroegen wat er nu gedaan moest worden, maar in plaats van zijn raad op te volgen, voerden zij de weinige overgeblevenen naar Egypte (2Kon 25:26; Jer 42:1-3, 8; 43:1-5). „Azarja, de zoon van Hosaja,” kan een broer van Jaäzanja geweest zijn, maar nog waarschijnlijker is dat hij Jaäzanja zelf was. — Jer 43:2.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen