JAÄSIËL
(Jaä̱siël) [Moge God maken; God heeft gemaakt].
1. Een van Davids sterke mannen die alleen in het boek Kronieken wordt vermeld; een Mezobaïet. — 1Kr 11:26, 47.
2. Vorst van de stam Benjamin tijdens Davids regering. Hij was de zoon van Abner en daarom waarschijnlijk een neef van koning Saul. — 1Kr 27:21, 22.