IVOOR
De crème-witte stof waaruit de slagtanden van de olifant, het nijlpaard, de walrus en andere dieren bestaan. Hoewel ivoor hard is en een dichtheid heeft die ongeveer drie en een half maal zo groot is als die van gedroogd cederhout, is het zeer elastisch en laat het zich gemakkelijk snijden of anderszins bewerken. De fijne ruitjestekening geeft ivoor een fraai cachet, terwijl ook de glans ervan opmerkelijk duurzaam is. De verscheidene afwisselend getinte lagen tandbeen verlenen het zo nuttige ivoor een heel bijzondere schoonheid. „Ivoor” wordt in het Hebreeuws aangeduid met de woorden sjen (lett.: tand) en sjen·hab·bimʹ (in de Griekse Septuaginta met „olifantstanden” weergegeven). De Griekse term e·le·fanʹti·nos betekent „van ivoor gemaakt”.
Ivoor wordt met luxueuze dingen van het leven in verband gebracht — met kunstvoorwerpen, elegante meubelen en zorgvuldig vergaarde rijkdommen. Eens in de drie jaar voerden Salomo’s schepen grote hoeveelheden ivoor uit verre landen aan (1Kon 10:22; 2Kr 9:21). Geheel overeenkomstig zijn heerlijkheid en grootheid maakte Salomo „een grote ivoren troon en bekleedde die met gelouterd goud” (1Kon 10:18; 2Kr 9:17). In de Psalmen wordt melding gemaakt van „het grootse ivoren paleis” waaruit de muziek van snaarinstrumenten te horen was (Ps 45:8). De schrijver van het liefelijke Hooglied gebruikt ivoor als zinnebeeld van schoonheid: „Zijn onderlijf is een ivoren plaat bedekt met saffieren” en: „Uw hals is als een ivoren toren” (Hgl 5:14; 7:4). Ook koning Achab bouwde een paleis waarin hij rijkelijk ivoor verwerkte, zodat het werkelijk een „ivoren huis” was (1Kon 22:39). In de tijd van Amos waren huizen en rustbedden met ivoor versierd (Am 3:15; 6:4). Archeologische vondsten hebben bevestigd dat de natie Israël en haar naburen rijkelijk ivoor gebruikten.
In Egypte werd dit natuurlijke materiaal eveneens gebruikt om allerlei dingen te maken, zoals kammen, handvatten van waaiers, vaatwerk, zalfdozen, stoelpoten, speelborden, beeldjes en gesneden kunstwerken. De stad Tyrus, die op grote schaal zeehandel dreef, liet de boegen van haar schepen met ivoor inleggen. Ivoor behoorde ook tot de kostbaarheden van de handelaars uit het oude Tyrus en wordt eveneens vermeld onder de handelsartikelen van „de reizende kooplieden der aarde” die wenen over de vernietiging van Babylon de Grote. — Ez 27:6, 15; Opb 18:11, 12.