GITTAÏM
(Gitta̱ïm) [Twee wijnpersen].
De plaats waarheen de Beërothieten (om niet vermelde redenen) vluchtten (2Sa 4:1-3). Na de ballingschap vestigden Benjaminieten zich in Gittaïm (Ne 11:31, 33). De precieze ligging is onbekend; sommigen vermoeden dat Gittaïm geïdentificeerd moet worden met een plaats die in de Amarnatabletten Gamteti wordt genoemd en waarschijnlijk in de buurt van het huidige Ramleh lag. — Zie BEËROTH.