BEËROTHIET
(Beërothi̱e̱t) [Van (behorend tot) Beëroth].
Een inwoner of ingeborene van Beëroth. Ten tijde van de intocht van de Israëlieten in Kanaän werd de stad door Hevieten bewoond. Later werd het gebied aan Benjamin toegewezen, en de Hevitische inwoners werden tot „houthakkers en waterputters” gemaakt (Joz 9:17, 27; 18:21, 25; zie BEËROTH). Baäna en Rechab, de moordenaars van Isboseth, waren „zonen van Rimmon de Beërothiet, van de zonen van Benjamin” (2Sa 4:2, 5, 9). Naharai, een van Davids sterke mannen, wordt in 2 Samuël 23:37 „de Beërothiet” en in 1 Kronieken 11:39 „de Berothiet” genoemd.