„De klant is koning”
VERTELD DOOR WEI TUNG CHIN
Mijn man zei altijd dat ik mij niet moest inlaten met „die mensen die met religie aan de deur komen”. Dus als Jehovah’s Getuigen bij ons aanbelden, zei ik altijd dat wij geen interesse hadden. Maar hij had mij ook gezegd dat ’de klant koning is’, dus toen er een Getuige naar ons restaurant de „Red Dragon” kwam en mij over haar religie wilde vertellen, vond ik dat ik moest luisteren.
MIJN man, Tong Y., was de eigenaar van de „Red Dragon”, een Chinees restaurant aan de St. Clair Avenue in Cleveland (Ohio). Daar bracht hij mij na ons trouwen de stelregel bij: „De klant is koning.”
T.Y. was naar Amerika gekomen voor een studie aan de Universiteit van New York. Toen hij in 1927 afgestudeerd was, ging hij in een restaurant in de buurt van Times Square in New York werken. Hij zag hoe mensen de lunch gebruikten in drugstores met hun beperkte kookgelegenheid. Daardoor kwam hij op het idee hun hete chow mein te verkopen.
Al gauw deed het kleine restaurant dat hij in Greenwich Village opende uitstekende zaken. In 1932 verplaatste hij zijn onderneming naar Cleveland (Ohio) en opende de „Red Dragon”, waarin plaats was voor 200 gasten. Een krant in Cleveland berichtte in september 1932: „Nu het gebied van de Grote Meren beproevend, na zich tot dusver gericht te hebben op de eetlust van miljoenen in het oosten, heeft Tong Y. Chin in Cleveland zijn eerste midwestelijke buitenpost geopend voor verse chow mein, een bedrijfstak die hij in vijf jaar tijd tot een activiteit heeft ontwikkeld die een miljoen dollar per jaar opbrengt.”
Laat ik, voordat ik uitleg hoe T.Y. en ik elkaar hebben ontmoet, vertellen over mijn jeugd in China, die in grote mate mijn leven heeft bepaald.
Een armoedige achtergrond
Mijn vroege jeugdherinneringen zijn beelden van Moeder als zij ons kleine dorp op het Chinese vasteland verlaat om naar voedsel te zoeken. Mijn ouders waren zo arm dat zij enkele van hun kinderen moesten afstaan voor adoptie. Op een dag, toen ik nog maar twee of drie jaar was, kwam Vader thuis met een bepaalde blik in zijn ogen. Ik dacht: ’Er gaat iets ergs met mij gebeuren.’
Kort daarna nam Moeder mij bij de hand en liepen wij langs een smal, modderig pad tussen rijstvelden door, waarbij wij moesten oppassen niet in het water aan beide zijden van het pad te vallen. Wij stopten bij een huis waar Moeder met een lachend meisje praatte, daarna bij een ander huis waar het jonge meisje heel ernstig keek en niet lachte. Ik kan mij niet herinneren dat ik deze meisjes ooit eerder had gezien. Het waren mijn oudere zussen. Toen zij afscheid van mij namen, voelde ik dat wij elkaar nooit meer zouden zien.
Terwijl wij verder liepen, praatte mijn moeder aan één stuk door en vertelde mij dingen over haarzelf, mijn vader en mijn broers en zussen. Ik zie Moeders vriendelijke, droevige ogen nog voor mij. Toen wij op onze bestemming aankwamen, leek er iets helemaal mis. Het huis zag er troosteloos en somber uit. Dit was mijn nieuwe thuis. Ik wilde niet gaan slapen, maar ik moest van mijn moeder en mijn adoptieouders. Al gauw viel ik in slaap en toen ik wakker werd, was Moeder weg. Ik heb haar nooit meer gezien.
Een droevige jeugd
Hoewel ik nu genoeg te eten had, heerste er weinig liefde en mijn hart was vol tranen. Ik werd elke ochtend huilend wakker. Ik miste Moeder en mijn oudere broer, die bij haar was gebleven. Ik dacht vaak aan zelfmoord. Toen ik oud genoeg was, wilde ik dolgraag naar school, maar mijn adoptieouders hielden mij thuis om te werken.
Toen ik negen was, verhuisden wij helemaal naar Shanghai. „Nu ben je oud genoeg om boodschappen te doen en te koken”, werd mij gezegd. Dus werden die taken aan mijn dagelijkse karweitjes toegevoegd. Elke dag gaven mijn adoptieouders mij genoeg geld om voedsel voor drie maaltijden te kopen. Op weg naar de markt kwam ik langs bedelaars en had medelijden met hen omdat zij honger hadden. Dus speelde ik het klaar hun een of twee geldstukken te geven en toch genoeg over te houden om het voedsel te kopen dat ik nodig had.
Wat wilde ik graag naar school en leren! „Over zes maanden zullen wij je laten inschrijven”, beloofden mijn adoptieouders. Toen die tijd voorbij was, zeiden zij tegen mij: „Over zes maanden.” Na verloop van tijd besefte ik dat ik nooit naar school gestuurd zou worden. Mijn hart was gebroken. Ik begon iedereen in het huis te haten. Vaak sloot ik mijzelf in de badkamer op om te bidden. Ook al geloofden wij in vele goden, ergens wist ik dat er een hoofdgod was, die machtiger was dan alle andere. Tot hem bad ik dus: „Waarom is er zo veel pijn en ellende?” Dat heb ik jarenlang gebeden.
Het huwelijk verandert mijn leven
Gearrangeerde huwelijken kwamen in die tijd in China vaak voor. Een van T.Y.’s vrienden van de universiteit die naar China was teruggekeerd, schreef hem: „Je bent nu de dertig gepasseerd en nog steeds ongetrouwd.” Daarna sprak hij over mij en voegde eraan toe: „Zij is achttien jaar; haar gezichtje is mooi en haar karakter niet minder. . . . Ik zou hier serieus over nadenken, Tong Y. Chin.” Zijn vriend sloot een foto in.
T.Y. schreef mijn adoptieouders: „Ik heb de foto van uw achtenswaardige dochter gezien. Ik zou graag met haar in het huwelijk treden als wij, na elkaar ontmoet te hebben en tijd met elkaar te hebben doorgebracht, bemerken dat er liefde in ons hart opbloeit.” T.Y. kwam naar Shanghai en wij ontmoetten elkaar. Hoewel ik vond dat hij te volwassen voor mij was, besloot ik dat ik door een huwelijk tenminste uit het huis weg kon. Wij trouwden dus in 1935 en vertrokken onmiddellijk naar Amerika. Zo kwam ik in Cleveland terecht.
Ernstige moeilijkheden ondanks welvaart
Om te beginnen waren er communicatieproblemen met mijn man. Hij sprak een bepaald Chinees dialect, Kantonees, en ik een ander, dat van Shanghai. Het was alsof wij twee verschillende talen spraken. Ik moest ook Engels leren en mij nieuwe gewoonten eigen maken. En mijn nieuwe taak? Ik moest een charmante, vriendelijke gastvrouw in het restaurant zijn, die altijd probeert de klanten tevreden te stellen. Ik mocht beslist niet vergeten: „De klant is koning.”
Ik werkte met mijn man minstens zestien lange, zware uren per dag en een groot deel van de tijd was ik zwanger. Onze eerste dochter, Gloria, werd in 1936 geboren. Daarna kreeg ik in negen jaar tijd zes kinderen — drie jongens en nog eens drie meisjes, van wie er een stierf toen ze nog maar één jaar was.
Ondertussen was T.Y. veel restaurants en nachtclubs gaan drijven. Sommige artiesten die hun carrière begonnen met optredens in deze gelegenheden, zoals Keye Luke, Jack Soo en Kaye Ballard, werden beroemdheden. Ook onze Chinese gerechten werden op grote schaal verkocht en werden welbekend.
In het midden van de jaren ’30 stond T.Y. bekend als de chow-mein-koning. Hij was ook president van de Chinese handelsvereniging en hield lezingen over China. Ik raakte betrokken bij talloze activiteiten: liefdadigheid, sociale kwesties, officiële gelegenheden en het gemeenschapsleven. In het openbaar verschijnen en meelopen in optochten werd een deel van mijn leven. Foto’s van ons en onze namen waren een vertrouwd beeld in de kranten van Cleveland; alles wat wij deden of zeiden leek gerapporteerd te worden — van zakelijke ondernemingen tot vakanties, en zelfs mijn schoenmaat!
In 1941, toen de Japanse luchtmacht Pearl Harbor bombardeerde, verklaarden de Verenigde Staten de oorlog aan Japan. Als Aziaten kregen wij met vooroordelen te maken. Al voor de oorlog ontvingen wij brieven waarin wij met de dood werden bedreigd, toen wij in een gegoede buurt ons grote huis lieten bouwen. Maar het huis kwam af en onze kinderen zijn erin opgegroeid.
Ik had dus een mooi, groot huis, een gerespecteerde man en kinderen, ja zelfs prachtige kleding en juwelen. Toch bleef het geluk buiten mijn bereik. Hoe kwam dat? Ten eerste waren wij als gezin weinig bij elkaar. Hoewel het mij lukte elke ochtend op te staan om de kinderen klaar te maken voor school, waren wij meestal aan het werk als zij naar bed gingen. Een dienstbode zorgde voor hun dagelijkse behoeften.
Wij waren boeddhist, maar de goden van onze religie boden mij geen vertroosting. T.Y. ging altijd samen met onze oudste zoon het huis door om kaarsen aan te steken en voor afgodsbeelden voedsel neer te leggen, dat de goden konden eten. Maar zij aten het voedsel nooit, dus aten de kinderen het later zelf op.
Doordat ik uiteindelijk uitgeput raakte en geen uitweg meer zag, redeneerde ik dat mijn gezin beter af zou zijn zonder mij. Ik stortte helemaal in en probeerde een eind aan mijn leven te maken. Gelukkig werd ik in aller ijl naar een ziekenhuis gebracht, en ik herstelde.
Een antwoord op mijn gebeden
Enige tijd later, in 1950, kwam een dame met prachtig wit haar met haar man het restaurant binnen. Terwijl ik hen verwelkomde en ervoor zorgde dat zij een gerieflijk plaatsje vonden, sprak zij met mij over God. Ik was niet geïnteresseerd. Jehovah’s Getuigen waren bij ons aan de deur gekomen en hadden geprobeerd met mij te praten, maar ik stuurde hen altijd kortaf weg. In het restaurant lagen de zaken echter anders — „De klant is koning!”
De dame, Helen Winters, vroeg of ik in de bijbel geloofde. „Welke bijbel?”, antwoordde ik. „Er zijn zo veel bijbels!” Elke keer dat zij terugkwam, dacht ik: ’Daar heb je die lastige vrouw weer!’ Maar zij was vriendelijk en vasthoudend. En wat ze zei over een paradijsaarde waar geen pijn of lijden meer zou zijn, klonk echt goed. — 2 Petrus 3:13; Openbaring 21:3, 4.
Bij een van haar bezoekjes liet zij een uitnodiging achter voor de vergaderingen in de Koninkrijkszaal en wees zij op de korte boodschap op de achterkant die de zegeningen van Gods koninkrijk beschreef. Ik herinner mij dat ik er later naar keek en dacht: ’Als dit toch eens waar was!’ Zij bood aan bij mij thuis de bijbel met mij te bestuderen, en uiteindelijk stemde ik daarmee in.
Elke week zaten wij voor de studie rond de tafel — Helen en ik samen met mijn zes kinderen, die toen tussen de vijf en veertien jaar waren. Ik had vaak medelijden met haar omdat de kinderen soms hun belangstelling leken te verliezen. In 1951 begonnen wij de vergaderingen in de Koninkrijkszaal bij te wonen. Al gauw besefte ik dat wat ik leerde, het antwoord op mijn gebeden was. Daarom besloot ik dat ik echt goed Engels moest leren lezen, wat voor mij een hele uitdaging was.
Waar geluk gevonden
Al gauw begon ik snel vooruit te gaan in kennis en droeg ik mijn leven aan Jehovah God op. Daarna werd ik op 13 oktober 1951, op een groot congres in Washington D.C., samen met mijn twee oudste kinderen, Gloria en Tom, gedoopt. Voor het eerst had mijn leven betekenis gekregen. Dat was het begin van de gelukkigste jaren van mijn leven.
Mijn hele leven had ik andere mensen gediend, maar nu was ik vastbesloten in de eerste plaats onze Schepper te dienen! Ik begon de Koninkrijksboodschap te delen met iedereen die wilde luisteren. Ook probeerde ik mijn kinderen ervan te doordringen hoe noodzakelijk het is christelijke vergaderingen bij te wonen en hoe belangrijk het is met anderen te spreken over de schitterende dingen in Gods Woord.
Vanaf 1953 werd er in ons huis een gemeenteboekstudie gehouden. Bijna 45 jaar later is dat nog steeds zo. Door de jaren heeft dit ons gezin in geestelijk opzicht geweldig geholpen.
Geestelijk actief blijven en toch ons restaurantbedrijf draaiende houden, was een ware uitdaging. Toch kon ik met velen de bijbel bestuderen. Sommige van deze mensen aanvaardden de bijbelse waarheid en werden later pioniers, zoals volle-tijdbedienaren worden genoemd. In de jaren ’50 droegen onze vier jongere kinderen hun leven aan Jehovah op en werden gedoopt. T.Y. was niet in de bijbel geïnteresseerd, maar hij reed ons wel van en naar de vergaderingen. Wij besloten niet tegen hem te prediken maar alleen onderweg naar huis met elkaar te praten over een of twee punten waar wij tijdens de vergadering van hadden genoten.
In die tijd maakte T.Y. herhaaldelijk zakenreizen naar steden in heel de Verenigde Staten. Ik belde naar het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn (New York) en zette onze situatie uiteen. Grant Suiter, de toenmalige secretaris-penningmeester van het Genootschap, nodigde ons uit voor een rondleiding door de gebouwen van het Genootschap als we in New York zouden zijn. T.Y. was erg onder de indruk, vooral van de reinheid van de keuken, die toen was ingericht om zo’n 500 mensen van maaltijden te voorzien.
Tijdens ons bezoek ontmoetten wij Russell Kurzen, die later een bijbel naar T.Y. stuurde, waarin hij elke avond las totdat hij hem uit had. Later, op het internationale congres van Jehovah’s Getuigen in 1958 in New York werd mijn man gedoopt! Tot onze verrassing had onze oudste zoon, die toen als lid van de Bethelfamilie op het hoofdbureau diende, een kort aandeel aan het programma.
Getrouw tot zijn dood
T.Y. en ik hadden vaak samen een aandeel aan de van-huis-tot-huisbediening. Toen zijn gezichtsvermogen achteruit ging, hadden wij geregeld een aandeel aan straatgetuigenis. In The Cleveland Press stond de kop „Bekering in Red Dragon”, samen met een foto waarop wij een voorbijganger De Wachttoren en Ontwaakt! aanbieden. Het artikel vertelde hoe wij Getuigen waren geworden. De „Red Dragon” kreeg overigens een andere naam en ging „Chin’s Restaurant” heten.
Door de jaren heen hebben mijn man en ik veel christelijke broeders en zusters uit de hele wereld in ons restaurant ontvangen. Wij hielden goed de raad in gedachte van broeder Fred Franz, die als president van de Watch Tower Bible and Tract Society diende. Toen hij bij ons was, spoorde hij ons aan: „Wees getrouw en blijf dicht bij Jehovah’s organisatie.”
T.Y. kreeg in het begin van de jaren ’70 verschillende keren een beroerte en hij stierf op 20 augustus 1975. Een plaatselijke krant publiceerde een lange necrologie met een foto waarop hij in de bediening De Wachttoren aanbiedt. Onze laatste jaren samen waren de beste. Na ruim zestig jaar sloot Chin’s Restaurant in april 1995 voor de laatste keer zijn deuren. Voor sommigen leek dit het einde van een tijdperk.
Geestelijke doeleinden voor ogen houden
Een tijdlang was het onze wens dat onze drie zonen het familiebedrijf overnamen. Maar die wens veranderde; wij wilden dat zij Jezus volgden en volle-tijdbedienaren werden. Wij vroegen elk van de kinderen of hij of zij in Hong Kong zou willen pionieren om andere Chinese mensen te helpen leren wat wij hadden geleerd. Wij boden hun financiële steun aan om dit te kunnen doen. Hoewel geen van hen vloeiend Chinees had leren spreken, besloten Winifred, Victoria en Richard naar Hong Kong te verhuizen.
Onze dochter Winifred pioniert daar al meer dan 34 jaar! Victoria trouwde met Marcus Gum en zij keerden na verloop van tijd naar de Verenigde Staten terug. Zij hebben drie kinderen grootgebracht — Stephanie en Seraiah, die in Cleveland in de volle-tijddienst zijn, en Symeon, die met zijn vrouw Morfydd op Watchtower Farms in Wallkill (New York) dient. Victoria en Marcus wonen nu bij mij in de buurt en helpen voor mij te zorgen. Hij is de presiderende opziener van de gemeente Coventry in Cleveland.
Onze oudste dochter, Gloria, is afhankelijk van een rolstoel sinds zij in 1955 getroffen werd door polio. Zij en haar man Ben wonen in Escondido (Californië), waar zij geregeld een aandeel aan het predikingswerk blijft hebben. Tom is al meer dan 22 jaar een volle-tijdbedienaar. Hij en zijn vrouw Esther werken momenteel in het Wachttoren-Onderwijscentrum in Patterson (New York). Richard en zijn vrouw Amy keerden uit Hong Kong terug om te helpen met de verzorging van T.Y. voordat hij stierf. Nu dienen ook zij in Patterson. Onze jongste, Walden, is al meer dan 30 jaar in de volle-tijddienst. De afgelopen 22 jaar hebben hij en zijn vrouw Mary Lou gemeenten in de Verenigde Staten bediend in het kring- en districtswerk.
Het is niet zo dat onze kinderen ons nooit problemen hebben gegeven. Als tiener liep een van hen van huis weg en liet drie maanden niets van zich horen. Een tijdlang was een ander meer geïnteresseerd in sport dan in geestelijke zaken en sloeg hij onze wekelijkse gezinsbijbelstudie over om aan wedstrijden mee te doen. Hij kreeg zelfs verschillende keren een sportbeurs aangeboden. Toen hij besloot in de volle-tijddienst te gaan in plaats van een van deze beurzen voor de universiteit te aanvaarden, was het alsof er een enorme last van mijn schouders werd genomen!
Dankbaar dat ik heb geluisterd
Ook al zijn mijn kinderen letterlijk over de wereld verspreid, mijn hart springt op bij de gedachte dat zij Jehovah getrouw dienen. Ik ben nu 81 en arthritis en andere kwalen hebben mijn tred vertraagd, maar mijn ijver voor Jehovah is niet verslapt. Ik probeer voor mijzelf te zorgen zodat geen van mijn kinderen voor mij uit de volle-tijddienst zou moeten.
Ik zie verlangend uit naar de toekomst, wanneer Gods voornemens volledig verwezenlijkt zullen worden en ik herenigd zal worden met gestorven geliefden, onder wie mijn man, mijn echte ouders en Helen Winters, die met ons studeerde (Johannes 5:28, 29; Handelingen 24:15). Wat ben ik blij dat ik meer dan 46 jaar geleden toch naar die mooie dame met het witte haar heb geluisterd!
[Illustratie op blz. 21]
Toen wij trouwden
[Illustratie op blz. 23]
Ons gezin in 1961. Van links naar rechts: Victoria, Wei, Richard, Walden, Tom, T.Y., Winifred, en Gloria op de voorgrond
[Illustratie op blz. 24]
Wei Chin nu