Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 8/6 blz. 21-26
  • Singapore — Een edelsteen verloor zijn glans

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Singapore — Een edelsteen verloor zijn glans
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een moderne stadstaat
  • Vrijheid van godsdienst gewaarborgd
  • Jehovah’s Getuigen verboden
  • Onverholen onderdrukking
  • Oproep tot actie
  • Een leven lang vreugde in het doen van Gods wil
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2008
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • „Hier ben ik! Zend mij”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • ’Ik was vastbesloten voor de keizer te sterven’
    Ontwaakt! 1992
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 8/6 blz. 21-26

Singapore — Een edelsteen verloor zijn glans

BENG! Onheilspellend sloegen de zware stalen deuren van de Changi Vrouwengevangenis in Singapore dicht achter een frêle 71-jarige weduwe, een christen. Als een van Jehovah’s Getuigen had zij geprobeerd haar standpunt duidelijk te maken aan de president van de rechtbank: „Ik vorm geen bedreiging voor deze regering.”

Beng! Zij werd gevolgd door een 72-jarige grootmoeder, ook een christen. Haar delict? Het in bezit hebben van vier bijbelse publikaties van het Wachttorengenootschap, waaronder haar persoonlijke exemplaar van de bijbel zelf.

In totaal werden 64 ingezetenen van Singapore, in de leeftijd van 16 tot 72 jaar, gearresteerd en veroordeeld. Van hen weigerden 47 op principiële gronden een boete te betalen en zij werden voor periodes variërend van één tot vier weken gevangengezet. Hoe was dit mogelijk in een stadstaat die beschreven wordt als een van de beste plaatsen ter wereld om te wonen? Hoe was dit mogelijk in een stadstaat die wereldwijd vermaard is om haar economische stabiliteit, fenomenale ontwikkeling en moderne gebouwen, en om haar ’religieuze verdraagzaamheid’?

Een moderne stadstaat

Eerst een stukje geschiedschrijving. De moderne geschiedenis van Singapore begon in 1819 met de komst van de Britse Sir Thomas Stamford Raffles. Raffles, een vertegenwoordiger van de Engelse Oostindische Compagnie, was op zoek naar een operatiebasis in het Verre Oosten. Hij besloot Singapore in overweging te nemen. Dat was het begin van een handelspost die tot op de huidige dag van grote invloed is geweest op de ontwikkeling van Oost-Azië.

Vóór de onafhankelijkheid werd Singapore beschreven als een rommelige, bepaald niet schone stad. Nu zou niemand dat meer zeggen. Het tegenovergestelde is waar. De afgelopen dertig jaar is de stad bijna helemaal herbouwd, waarbij waar mogelijk het karakter van het oude behouden bleef door de gevel van oudere gebouwen te laten staan of door hele historische bouwwerken in moderne gebouwen te integreren. Singapore is een trefpunt van maritiem verkeer in de Oriënt geworden, met vaak wel 800 schepen tegelijk in de haven. Moderne geavanceerde installaties maken het mogelijk kolossale containerschepen binnen enkele uren te lossen en weer te laden. Het financiële hart van de stad vraagt en krijgt onroerend-goedprijzen in de orde van grootte van ƒ 113.000 of meer per vierkante meter.

De zeer gevarieerde bevolking van ongeveer 3.400.000 zielen bestaat uit Chinezen, Maleiers, Indiërs, Europeanen en anderen. Tot de talen die zij spreken, behoren het Mandarijn-Chinees, Maleis, Tamil en Engels.

Met zijn 83 kilometer lange boven- en ondergrondse openbaar-vervoersnet heeft Singapore een van de meest moderne en efficiënte transportsystemen ter wereld. Over de hele stad verspreid ligt een flink aantal parken als groene accenten tussen de torenhoog oprijzende moderne architectuur. Een must voor de toerist die er voor de eerste keer komt, is het totaal opgeknapte Raffles Hotel, nu als nationaal monument aangewezen omdat het uit 1889 dateert. Een tweede must zijn de 52 hectare tellende botanische tuinen, waarvan 4 hectare beschermde jungle is waar eens tijgers rondzwierven.

Vrijheid van godsdienst gewaarborgd

Als aanvulling op zijn weergaloze economische groei belooft Singapore al zijn ingezetenen vrijheid van godsdienst. Helaas heeft Singapore zich niet aan die belofte gehouden. Dat hebben vooral mensen die bij de gemeente van Jehovah’s Getuigen aangesloten zijn, ondervonden.

De grondwet van de republiek Singapore verschaft in artikel 15(1) de basisgarantie voor vrijheid van aanbidding: „Iedereen heeft het recht zijn godsdienst te belijden en te beoefenen en die uit te dragen.”

Artikel 15(3) van de grondwet waarborgt: „Elke religieuze groepering heeft het recht —

(a) haar eigen religieuze aangelegenheden te behartigen;

(b) instituten voor religieuze of liefdadige doeleinden op te richten en in stand te houden; en

(c) onroerend goed te kopen en te bezitten en het in overeenstemming met de wet te beheren en te besturen.”

Reeds in 1936 maakten Jehovah’s Getuigen deel uit van de Singaporaanse samenleving. Jarenlang hielden zij geregelde gemeentevergaderingen in hun eigen Koninkrijkszaal aan Exeter Road 8, vlak tegenover een drukke markt. De gemeente floreerde en droeg tegelijkertijd op haar eigen unieke manier bij tot de stabiliteit van het maatschappelijk leven.

Jehovah’s Getuigen verboden

Dit alles veranderde op 12 januari 1972. Krachtens hoofdstuk 109 van de Uitzettingswet werd een uitzettingsbevel uitgevaardigd waarbij de christelijke zendeling Norman David Bellotti en zijn vrouw, Gladys, die 23 jaar in Singapore hadden gewoond, bevolen werd het land te verlaten. Dit werd snel gevolgd door een besluit waarbij de gemeente van Jehovah’s Getuigen in Singapore uit de registers werd geschrapt. Enkele uren later werd de Koninkrijkszaal geconfisqueerd door de politie, die zich met geweld toegang verschafte door de voordeur te forceren. Bijna onmiddellijk daarna volgde een officieel verbod op alle lectuur van het Wachttorengenootschap. Zo begon een periode van onderdrukking voor Jehovah’s Getuigen.

De Koninkrijkszaal werd daarop door de regering verkocht in het kader van hun willekeurige optreden, en dat alles zonder voorafgaande kennisgeving — geen verhoor, geen rechtszaak, geen gelegenheid tot reageren.

De regering van Singapore heeft herhaaldelijk de weigering van Jehovah’s Getuigen om in militaire dienst te gaan aangevoerd als rechtvaardiging voor het totale verbod. Nog op 29 december 1995 verklaarde de heer K. Kesavapany, permanent vertegenwoordiger van Singapore bij de Verenigde Naties in Genève, in een brief gericht aan Z. Exc. Ibrahim Fall, plaatsvervangend secretaris-generaal voor de mensenrechten, van de Verenigde Naties in Genève, het volgende:

„Het verbod van mijn Regering op de beweging van Jehovah’s Getuigen spruit voort uit overwegingen van nationale veiligheid. Het voortbestaan van de beweging zou nadelig zijn voor het openbaar welzijn en de goede orde in Singapore. Een noodzakelijke consequentie van het schrappen van Jehovah’s Getuigen uit de registers was, dat al hun publikaties verboden werden om kracht bij te zetten aan het verbod op de beweging en om de verbreiding en verkondiging van hun geloofsovertuiging tegen te gaan.”

Wat de verklaring betreft dat de nationale veiligheid van Singapore gevaar loopt zij opgemerkt, dat het aantal jonge mannen die militaire dienst weigeren, ongeveer vijf per jaar bedraagt. Singapore heeft een krijgsmacht van circa 300.000 man. De regering van Singapore heeft zelfs geweigerd om over nationale burgerdienst voor het handjevol betrokkenen te spreken.

Onverholen onderdrukking

Na verscheidene jaren van onzekere tolerantie begon zich in 1992 een nieuwe periode van openlijke schending van de mensenrechten af te tekenen. In dat jaar werden verscheidene mensen gearresteerd — beschuldigd van het in bezit hebben van lectuur die verboden was krachtens de Wet op Ongewenste Publikaties. In 1994 stuurde het Wachttorengenootschap de 75-jarige W. Glen How, Q. C., advocaat en zijn hele leven al een van Jehovah’s Getuigen, naar Singapore. Zijn status als Queen’s Counsel verleende hem de erkenning die hem machtigde voor de rechtscolleges van Singapore te verschijnen. Gezien de garantie voor godsdienstvrijheid in de grondwet werd hoger beroep aangetekend bij de High Court van Singapore en werd onder meer de rechtmatigheid van de arrestaties en van het in 1972 uitgevaardigde verbod aangevochten. Op 8 augustus 1994 werd het hoger beroep afgewezen door rechter Yong Pung How, de president van de High Court van Singapore. Verdere pogingen om tegen de uitspraak in cassatie te gaan waren vergeefs.

Begin 1995 leek het erop dat de genomen juridische stappen op basis van de grondwet van Singapore aanleiding waren geweest tot nog onderdrukkender maatregelen. Een militaristisch opgezet plan, Operatie Hoop genaamd, trad nu in werking en undercoveragenten van de Afdeling Geheime Genootschappen van de Criminele Inlichtingendienst stortten zich op verscheidene kleine groepjes christenen die in particuliere huizen bijeenwaren. Zo’n 70 agenten en hulptroepen voerden de ’commandoraids’ uit, leidend tot de arrestatie van 69 personen. Allen werden naar verhoorcentra vervoerd, enkelen werden de hele nacht ondervraagd en allen werd het bijwonen van vergaderingen van Jehovah’s Getuigen en het bezit van bijbelse publikaties ten laste gelegd. Sommigen werden wel achttien uur in eenzame opsluiting gehouden en mochten zelfs hun gezin niet opbellen.

De beschuldigingen tegen buitenlanders werden ingetrokken. Maar 64 ingezetenen van Singapore moesten eind 1995 en begin 1996 voor het gerecht verschijnen. Alle 64 werden schuldig bevonden. Zevenenveertig van hen, in leeftijd variërend van 16 tot 72 jaar, betaalden de boetes van duizenden dollars niet en werden in de gevangenis gezet voor een tijdsduur van één tot vier weken.

Alvorens naar hun cel gestuurd te worden, werden mannen en vrouwen helemaal uitgekleed en in het bijzijn van verscheidene mensen gefouilleerd. Sommige vrouwen moesten hun armen uitstrekken, vijf diepe kniebuigingen maken en hun mond openen en hun tong omhoogdoen. Minstens één vrouw kreeg opdracht om met haar vingers haar anus te openen. In de gevangenis moesten sommige van de mannen water uit toiletpotten drinken. Enkele jonge vrouwen werden behandeld als gevaarlijke misdadigsters; zij moesten hun hele straf cellulair uitzitten en kregen halve rantsoenen. Sommige bewaarders ontzegden de Getuigen zelfs hun bijbel.

Maar laten wij eens een paar opmerkingen van enkele van de gevangengezette vrouwen bekijken. Wat hun persoonlijke verslagen onthulden, stond in scherp contrast met de smetteloze façade van deze moderne stad.

„De cel was vuil. De wasbak en het toilet verkeerden in een abominabele staat. Ze waren ronduit smerig. Onder de bank waar ik op zat, zag ik spinnewebben en vuil.”

„Ik moest me helemaal uitkleden en kreeg een stel gevangeniskleren, een zeepbakje (zonder zeep) en een tandenborstel. Van de andere gevangenen in mijn cel hoorde ik dat kortgestraften geen tandpasta of toiletpapier kregen.”

„Wij zaten met z’n twintigen in één cel. Het toilet is van het hurktype met de muur tot aan mijn middel. De badkamer had slechts één douche en één wasbak met een kraan. Wij moesten ons in groepen van zes wassen — ’s ochtends moest iedereen in de cel binnen een half uur douchen.”

Ondanks het trauma van de gevangenisstraf vonden allen het een voorrecht God te dienen — wanneer en waar maar ook en ongeacht de omstandigheden. Let eens op het volgende commentaar van een tienermeisje:

„Vanaf het moment dat ik de gevangenis binnenstapte, heb ik mezelf er steeds weer aan herinnerd waarom ik daar zat. Elke dag bad ik tot Jehovah naar mijn gebed te luisteren en me niet in de steek te laten. Ik voelde dat hij mijn gebed verhoorde omdat zijn heilige geest me erdoorheen hielp. Pas toen besefte ik wat een nauwe band ik met hem had en dat heeft me zeer gesterkt, wetend dat hij over ons waakt. Ik voel me bevoorrecht dat ik deze beproeving mag doormaken ter wille van zijn naam.”

Kranten overal ter wereld waren snel op de hoogte van het nieuws. De pers in Australië, Canada, Europa, Hong Kong, Maleisië, de Verenigde Staten en elders schreef herhaaldelijk over de gebeurtenissen. De Canadese Toronto Star gaf de verontwaardiging van dat moment weer met de kop „Oma veroordeeld wegens bijbelbezit”. Toegegeven, de wereld kent veel ernstige problemen waarbij veel meer mensen betrokken zijn, maar in dit geval stellen geschokte mensen overal dezelfde vraag. „In Singapore?”

Het is moeilijk te begrijpen waarom een godsdienst die in ruim 200 landen wereldwijd openlijk functioneert en daarbij de volle bescherming van de wet geniet, in Singapore het doelwit van vervolging zou moeten worden. Het wordt nog moeilijker te begrijpen als wij in aanmerking nemen dat geen enkele andere godsdienst in Singapore zo onredelijk en despotisch behandeld is.

Ja, een adjunct-commissaris van politie die een overval op Jehovah’s Getuigen leidde, gaf voor de rechtbank toe dat dit de enige keer was dat hij en zijn agenten bevel hadden gekregen een eind te maken aan een religieuze bijeenkomst. De volgende citaten zijn ontleend aan een afschrift van de getuigenverklaringen:

V: (Aan de getuige) Heeft de Afdeling Geheime Genootschappen, voor zover u bekend is, ooit een onderzoek ingesteld naar niet-geregistreerde religieuze groeperingen en die vervolgd, afgezien van Jehovah’s Getuigen?

A: Niet dat ik weet.

Daarop werd de ondervraging vervolgd.

V: (Aan de getuige) Hebt u persoonlijk op enig tijdstip ooit een soortgelijke inval gedaan bij een kleine religieuze groep, bijeen in een woning en niet geregistreerd onder de Wet op de Genootschappen?

A: Nee.

Oproep tot actie

Amnesty International en de Internationale Orde van Advocaten stuurden beide hun eigen speciale waarnemer om de eerlijkheid van de procesgang te volgen. De onpartijdige waarnemer van Amnesty International, Andrew Raffell, zelf advocaat in Hong Kong, zei het volgende: „Ik heb in mijn verslag gezet dat het veel weg had van een showproces.” Hij verklaarde verder dat de als getuige opgeroepen overheidsfunctionarissen de rechtbank niet konden uitleggen waarom de lectuur van Jehovah’s Getuigen ongewenst werd geacht. Raffell somde enkele van de verboden bijbelse publikaties op, waaronder De weg tot waar geluk en Maak je jeugd tot een succes. Hij voegde eraan toe dat ze werkelijk in geen enkel opzicht als ongewenst beschouwd konden worden.

De waarnemer van de Internationale Orde van Advocaten, Cecil Rajendra, verklaarde het volgende:

„Van het begin af aan was het deze waarnemer duidelijk dat de hele rechtszaak niets meer was dan een . . . farce, schijnbaar op touw gezet om de wereld te laten zien dat het in Singapore nog democratisch toegaat.

De uitspraak was een uitgemaakte zaak en er was op geen enkel tijdstip voor, tijdens of aan het slot van de rechtszaak enige twijfel dat alle verdachten schuldig bevonden zouden worden aan het ten laste gelegde.

Hoewel het proces gevoerd werd voor een lager rechtscollege en de beschuldigingen in feite kleine overtredingen waren op de Wet op de Genootschappen, was de atmosfeer rond het gerechtsgebouw er een van angst en intimidatie.

Dat kwam in niet geringe mate door het feit dat er niet minder dan tien geüniformeerde agenten gestationeerd waren (zes in de rechtszaal en vier erbuiten), terwijl er verscheidene mensen van de Speciale Afdeling in burgerkleding op de galerij zaten.”

Over de procesgang zelf schreef Rajendra vervolgens:

„Het gedrag van de genoemde rechter tijdens de periode van waarneming (alsook tijdens de hele duur van het proces, zoals uit de afschriften blijkt) liet veel te wensen over. . . . Tegen alle regels van een eerlijk proces in interrumpeerde de rechter steeds weer ten gunste van het openbaar ministerie en dwarsboomde hij de verdediging bij het afnemen van een kruisverhoor aan de getuigen à charge over officiële bewijsstukken, bijv. de King James-​vertaling van de bijbel, door het openbaar ministerie aangereikt als bewijs dat de verdachten in het bezit waren van verboden publikaties!”

Zo groot is de internationale bezorgdheid als gevolg van Singapores schending van de mensenrechten, dat een in België verschijnend blad, getiteld Human Rights Without Frontiers, een achttien bladzijden tellend verslag publiceerde dat helemaal gewijd was aan de aanval van de regering van Singapore op Jehovah’s Getuigen. In een hoofdartikel kenschetste Willy Fautré, hoofdredacteur van dat blad, kort en bondig de ware mate van menselijke vrijheid in elke politieke staat:

„Hoewel vrijheid van godsdienst een van de beste indicaties is voor de algemene gesteldheid van de menselijke vrijheid in enige gegeven samenleving, zijn heel weinig seculiere organisaties voor de mensenrechten betrokken geweest bij óf het elimineren van vormen van discriminatie en onverdraagzaamheid wegens godsdienst of overtuiging, óf bij de ontwikkeling van beleid dat de vrijheid van godsdienst zou behoeden en bevorderen.”

Human Rights Without Frontiers publiceerde zijn lijst van aanbevelingen met vette letters op de achterkant van het uitgebrachte verslag.

Jehovah’s Getuigen zijn van groot nut voor Singapore. Zij respecteren de rechten van hun medemensen en zullen geen enkele misdaad tegen hen begaan. Geen inwoner van Singapore behoeft bang te zijn dat er bij hem ingebroken wordt of dat hij beroofd, mishandeld of verkracht wordt door een van Jehovah’s Getuigen.

Hun vrijwillige openbare bediening sterkt en verbetert het gezinsleven en bevordert goed burgerschap. Zij leiden gratis bijbelstudies bij iedereen die de opbouwende beginselen van de bijbel wil leren kennen en wil weten hoe ze in zijn of haar leven toegepast kunnen worden. Hun bijeenkomsten voor bijbelstudie en gebed maken deel uit van hun christelijke vorming. Dat heeft hen tot voortreffelijke burgers gemaakt.

Inwoners van Singapore die hun republiek respecteren en het beste voor haar toekomst wensen, moeten er bij de regering op aandringen de rechtmatige plaats van Jehovah’s Getuigen in de Singaporaanse samenleving opnieuw te bezien. Het is tijd dat de sancties tegen hen worden opgeheven en dat zij terugkrijgen waar elke burger recht op heeft — vrijheid van aanbidding.

[Kader op blz. 26]

De wereld kijkt mee

1. „Toen de politie van Singapore zich in februari jongstleden op een avond op vijf woningen stortte alsof het een militaire actie betrof, werden 69 mannen, vrouwen en tieners gearresteerd en naar het hoofdbureau van politie overgebracht. Dat was niet de manier waarop vergaderingen voor bijbelstudie geacht werden te eindigen.” — The Ottawa Citizen, Canada, 28 december 1995, blz. A10.

2. „Het zou een bron van ware voldoening zijn voor allen die de vrijheid van godsdienst en het recht op vrijheid van geweten ter harte gaan, als de regering van Singapore haar standpunt met betrekking tot de leden van dit onschuldige en ongevaarlijke volk zou wijzigen en hun zou toestaan hun geloof zonder vrees of belemmering te beoefenen en te verkondigen.” — Professor Bryan R. Wilson, University of Oxford, Engeland.

3. „In een reeks processen die protesten hebben ontlokt aan internationale groepen voor burgerlijke vrijheden hebben rechtbanken in Singapore sinds november vorig jaar 63 getuigen van Jehovah veroordeeld.” — Asahi Evening News, Japan, 19 januari 1996, blz. 3.

4. „Het moet Jehovah’s Getuigen worden toegestaan in alle vrede bijeen te komen en hun godsdienst te beoefenen zonder gevaar van arrestatie of gevangenzetting. Vrijheid van godsdienst is een grondrecht dat door de grondwet van Singapore wordt gewaarborgd.” — Amnesty International, 22 november 1995.

5. Chan Siu-ching, voorzitter van de Commissie voor Recht en Vrede van het katholieke diocees Hong Kong, verklaarde in een brief aan Lee Kuan Yew, minister van Staat, kantoor van de minister-president, gedateerd 1 juni 1995: „Het punt waar het om gaat, is dat zelfs indien de regering van Singapore personen die militaire dienst weigeren als wetsovertreders beschouwt die in staat van beschuldiging gesteld moeten worden, dat zich niet mag uitstrekken tot andere leden die slechts deelnemen aan religieuze bijeenkomsten voor aanbiddingsdoeleinden. . . .

Wij schrijven derhalve om uw Regering te verzoeken:

1. de Jehovah’s Getuigen niet te verbieden, zodat zij zich in vrijheid van aanbidding en geweten kunnen verheugen;

2. niet langer de leden van Jehovah’s Getuigen gerechtelijk te vervolgen die slechts de religieuze bijeenkomsten bijwonen.

3. die leden van de Jehovah[’s] Getuigen vrij te laten die onlangs louter wegens het meedoen aan religieuze activiteiten zijn gearresteerd.”

[Illustratie op blz. 23]

Jehovah’s Getuigen bij het gerechtsgebouw nadat de aanklachten waren ingediend

[Illustratie op blz. 23]

Deze 71-jarige Getuige vertelde de rechter: „Ik vorm geen bedreiging voor deze regering.” Toch werd zij gevangengezet

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen