Een leefgemeenschap op palen
Door Ontwaakt!-correspondent in Benin
„GANVIÉ is een van Benins voornaamste toeristische trekpleisters”, vermeldt een reisgids voor West-Afrika. In een andere staat: „Ook op de Afrikanen zelf oefent Ganvié grote aantrekkingskracht uit; je ziet er net zoveel Afrikaanse toeristen als westerlingen.”
Ganvié is inderdaad uniek. Het is een dorp met 15.000 inwoners dat gebouwd is op palen boven het water van het Nokouémeer ten noorden van Cotonou. In Ganvié zijn geen fietsen, geen auto’s, geen trottoirs en geen wegen. Als de inwoners naar school, de markt, de kliniek, het huis van buren of ergens anders heen willen gaan, stappen zij in een boomstamkano van iroko, het hout van de Chlorophora excelsa.
De meeste gezinnen beschikken over verscheidene kano’s — een voor Vader, een voor Moeder en soms een voor de kinderen. Kinderen leren al vroeg kanoën. Tegen de tijd dat een kind vijf jaar is, kan het in zijn eentje met een boot overweg. Al gauw heeft hij of zij voldoende zelfvertrouwen om staande in een kano een klein visnet uit te gooien. Sommige kinderen vinden het leuk de aandacht van bezoekers te trekken door in hun kano op hun hoofd te gaan staan.
Op de drijvende markt van Ganvié zitten de kooplui, overwegend vrouwen, in hun kano met hun koopwaar hoog voor zich opgehoopt — kruiden, vruchten, vis, geneesmiddelen, brandhout, bier en zelfs radio’s. Tegen de tropische zon beschermd door strohoeden met enorme randen, verkopen zij hun waren aan anderen die met hun kano komen aanvaren om te kopen. Soms zijn de verkopers jonge meisjes. Maar trek daaruit geen verkeerde conclusie! Zij leren de kunst van het onderhandelen over de prijs al vroeg.
Terwijl de vrouwen op de markt kopen en verkopen, houden de mannen zich bezig met vissen. Bij hun methode van visvangen worden honderden takken in de modderige bodem van de lagune gestoken, waardoor er een dicht bos van stokken ontstaat. De vissen drommen samen om van de rottende takken te eten. Enkele dagen later keren de mannen terug met hun netten om de vis binnen te halen.
Van schuilplaats tot toeristische trekpleister
De Toffinu van Ganvié waren niet altijd de „Mensen van het water”, zoals zij nu bekend zijn. In het begin van de achttiende eeuw vluchtten zij naar het meer en de moerassen om aan vervolging door een naburig Afrikaans koninkrijk te ontkomen. Geleerden zeggen dat deze geschiedenis in de naam Ganvié opgesloten ligt, daar in hun taal, het Toffin, het woord gan vertaald kan worden met „wij zijn gered” en het woord vie „leefgemeenschap” betekent. De naam van deze voornaamste nederzetting in het meer zou dus ongeveer vertaald kunnen worden als „de leefgemeenschap van mensen die toch nog vrede gevonden hebben”.
Het zoeken van een toevlucht in het moerasgebied rond het Nokouémeer was een doeltreffende strategie, daar de godsdienstige overtuiging van het vijandige koninkrijk niet toeliet dat een soldaat zich in het water of in gebieden die konden overstromen, waagde. Het meer voorzag dus zowel in een middel van bestaan als in een wijkplaats voor de vijand. Het heeft iets ironisch dat deze nu beroemde leefgemeenschap, die door grote aantallen toeristen in motorboten bezocht wordt, eens een schuilplaats was.