’Zelfs de tong van stamelenden zal spreken’
HET was tijdens het middagprogramma van een speciale dagvergadering van Jehovah’s Getuigen in Tsjechoslowakije (nu Tsjechië), waar honderden mensen waren bijeengekomen om bijbelonderricht te ontvangen. Ik stond achter het podium mijn onderdeel door te nemen. Het was geen groot onderdeel. Twee jonge Getuigen zouden ervaringen vertellen en ik moest slechts als voorzitter bij het onderdeel optreden. Die ochtend had ik me innerlijk gespannen gevoeld en nu werd het erger. Ik voelde me letterlijk verlamd, gedeprimeerd en niet tot spreken in staat.
Misschien denkt u dat bijna iedereen in zo’n situatie zenuwachtig zou zijn. Maar dit was meer dan gewoon een kwestie van zenuwen. Ik zal het u uitleggen.
Mijn spraakprobleem
Toen ik twaalf jaar was, ben ik gevallen en heb ik verwondingen aan mijn hoofd, nek en wervelkolom opgelopen. Daarna stotterde ik af en toe of had ik moeite met het vormen van woorden, vooral woorden die met de letters p, k, t, d of m begonnen. Soms kon ik helemaal niet praten.
Destijds maakte ik me er niet zo druk om; het leek alleen wat lastig. Maar naarmate de jaren verstreken, begon elke vorm van spreken voor een publiek me echt schrik aan te jagen. Toen ik op een keer een spreekbeurt hield op school, viel ik flauw. En als ik boodschappen moest doen, gebeurde het soms dat wanneer winkelbedienden vroegen wat ik wenste, ik hun vraag niet kon beantwoorden. Terwijl ik alle mogelijke moeite deed om er iets uit te brengen, groeide hun irritatie: „Schiet eens op. Ik heb niet de hele dag de tijd. Er staan nog meer klanten te wachten.” Het gevolg was dat ik de dingen die ik nodig had dan niet kon kopen.
Mijn schooljaren waren erg moeilijk. Als ik een spreekbeurt had, lachten mijn klasgenoten om mijn gestamel. Toch haalde ik mijn einddiploma van de middelbare school en in 1979 ging ik naar een universiteit in Praag. Daar ik van sport hield, ging ik voor gymnastiekleraar studeren. Maar hoe kon ik mijn doel verwezenlijken? Ondanks mijn twijfels ging ik vastberaden door.
Professionele hulp
Er moest een manier zijn om van mijn spraakstoornis af te komen. Dus besloot ik na de universiteit doorlopen te hebben, professionele hulp te zoeken. Ik ging naar een kliniek in Praag die gespecialiseerd was in de behandeling van spraakproblemen. Tijdens het eerste consult liet een verpleegkundige zich ontglippen: „Uw neurose is niet mis!” Ik voelde me gekwetst bij de gedachte dat zij me neurotisch vond, terwijl deskundigen het erover eens zijn dat stotteren geen neurotische aandoening is. Het duurde niet lang of ik besefte dat ik voor een unieke uitdaging stond: Ik was een jonge man van 24 en alle andere patiënten waren kinderen.
Al gauw raakte de hele staf, de psycholoog inbegrepen, bij mijn behandeling betrokken. Zij probeerden van alles. Eenmaal mocht ik vijf weken lang met niemand praten. Een andere keer mocht ik alleen op één dreun spreken en h-e-e-l langzaam. Hoewel deze benadering hielp, bezorgde ze me ook de bijnaam Slangenbezweerder, want menigeen viel tijdens mijn spreekbeurten in slaap.
Contact met Jehovah’s Getuigen
Toen ik op een zomerdag in 1984 in het centrum van de stad liep, stapten er twee jonge mannen op me af. Het was niet hun uiterlijk dat me verbaasde maar wat zij zeiden. Zij zeiden dat God een regering had, een koninkrijk, dat een eind zou maken aan alle problemen van de mensheid. Zij gaven me hun telefoonnummer en later belde ik hen op.
Destijds waren Jehovah’s Getuigen niet als wettige godsdienstige organisatie in Tsjechoslowakije erkend. Maar het duurde niet lang of mijn belangstelling groeide dermate dat ik hun bijeenkomsten begon bij te wonen. Ik voelde gewoon de liefde en zorgzaamheid die de Getuigen voor elkaar hadden.
De weg naar zelfvertrouwen
De hulp voor mijn spraakprobleem kwam in de vorm van wat de theocratische bedieningsschool wordt genoemd, een school die wekelijks in elke gemeente van Jehovah’s Getuigen wordt gehouden. Mij werd aangeraden me te laten inschrijven, en dat deed ik. Met de suggesties in een van de leerboeken van de school, Handleiding voor de Theocratische Bedieningsschool, als basis werkte ik aan spreekhoedanigheden als vloeiendheid, uitspraak, klemtoon en modulatie.a
Mijn eerste oefenlezing, het voorlezen van een gedeelte uit de bijbel, was een fiasco. Ik was één bonk zenuwen en wist daarna nauwelijks hoe ik thuis moest komen. Wat was ik dankbaar voor het ontspannende effect van een hete douche!
Na die eerste lezing was de schoolopziener zo vriendelijk persoonlijke aandacht aan mij te besteden. Niet alleen gaf hij me opbouwende raad maar hij prees me ook. Dat gaf me de moed het te blijven proberen. Kort daarna, in 1987, werd ik een gedoopte Getuige. Enkele maanden later verhuisde ik van Praag naar het rustige stadje Žďár nad Sázavou. De kleine plaatselijke groep van Getuigen heette me hartelijk welkom. Zij accepteerden ook mijn nog steeds tamelijk stamelende spraak en dat kwam mijn zelfrespect ten goede.
Na verloop van tijd begon ik een kleine bijbelstudiegroep te leiden en vervolgens hield ik mijn eerste openbare bijbellezing. Ten slotte, na de regeringsverandering in Tsjechoslowakije, begon ik zulke lezingen in naburige gemeenten te houden. In een vreemde omgeving kwamen mijn spraakproblemen terug. Maar ik gaf het niet op.
Bijzondere uitdagingen
Op een dag nodigde een christelijke ouderling mij uit naar zijn werk te komen. Hij zei: „Petr, ik heb zulk goed nieuws voor je! We zouden graag zien dat je meedeed aan de komende kringvergadering.” Ik kreeg het benauwd en moest gaan zitten. Tot grote teleurstelling van mijn vriend bedankte ik ervoor.
Die weigering bleef me achtervolgen. Ik kon ze niet van mij afzetten. Iedere keer dat op christelijke vergaderingen het vertrouwen op God ter sprake kwam, dacht ik gekweld terug aan die weigering. Gideon, die onder Gods leiding het hele Midianitische leger met slechts 300 man tegemoet was getreden, werd soms op de vergaderingen genoemd (Rechters 7:1-25). Dat was een man die echt vertrouwde op zijn God, Jehovah! Had ik Gideons voorbeeld gevolgd toen ik die toewijzing weigerde? Als ik eerlijk wilde zijn, kon ik dat niet zeggen. Ik schaamde me.
Toch weigerden mijn christelijke broeders me als hopeloos te beschouwen. Zij boden me opnieuw een gelegenheid. Ik kreeg een uitnodiging om deel te nemen aan het programma op een speciale dagvergadering. Deze keer stemde ik toe. Hoe dankbaar ik ook was voor dit voorrecht, de gedachte een zaal vol mensen toe te spreken, verlamde me eerlijk gezegd. Ik moest er werkelijk aan werken mijn vertrouwen in Jehovah te vergroten. Maar hoe?
Door nauwlettend acht te slaan op het geloof en het vertrouwen dat andere Getuigen in hem hadden. Dat sterkte me. Zelfs een brief van de zesjarige Verunka, het dochtertje van een vriend, diende als een schitterend voorbeeld voor me. Zij schreef: „In september ga ik naar school. Ik weet niet hoe het met het volkslied zal gaan. Ik geloof dat Jehovah voor me zal strijden, zoals hij ook voor Israël streed.”
Nu, dit waren slechts enkele van de gebeurtenissen voorafgaand aan het middagprogramma van de speciale dagvergadering waarover ik het in het begin had. Ik had vurig gebeden. Nu maakte ik me niet zozeer zorgen over mijn vloeiendheid van spreken als wel over het loven van Gods grote naam ten overstaan van dit grote publiek.
Daar stond ik dus met een microfoon voor me, met honderden mensen in de zaal. Toen, in het besef dat de boodschap belangrijker is dan de boodschapper, haalde ik diep adem en begon. Na afloop had ik de tijd om te beoordelen hoe het was gegaan. Was ik nerveus geweest? Zeker, en ik had zelfs een paar keer gestotterd. Toch wist ik dat ik zonder Gods steun helemaal niet had kunnen spreken.
Later begon ik te peinzen over iets wat een christelijke broeder eens tegen me had gezegd: „Wees blij dat je een stotterprobleem hebt.” Toen hij die uitspraak deed, was ik werkelijk verbaasd. Hoe kon hij nu zoiets zeggen? Terugkijkend begrijp ik nu wat hij bedoelde. Het spraakprobleem dat ik heb, heeft me geholpen me op God te verlaten in plaats van op mijzelf.
Sinds de middag van die speciale dagvergadering zijn er enkele jaren verstreken. In die jaren heb ik andere voorrechten genoten waarvoor ik voor grote aantallen toehoorders moest spreken. Ik werd aangesteld als christelijke ouderling in Žďár nad Sázavou en ook als pionier, zoals volle-tijdpredikers van Jehovah’s Getuigen worden genoemd. Stel je voor! Ik sprak toen maandelijks ruim honderd uur met anderen over Gods koninkrijk, om nog maar niet te spreken van de tijd die ik wekelijks besteedde aan het onderwijzen op onze christelijke vergaderingen. En nu dien ik als kringopziener en houd ik elke week lezingen voor een andere gemeente.
Mijn hart zwelt gewoon van dankbaarheid iedere keer dat ik die bepaalde profetie in het bijbelboek Jesaja lees: „Zelfs de tong der stamelenden zal vaardig zijn in het spreken van duidelijke dingen” (Jesaja 32:4; Exodus 4:12). Jehovah heeft beslist bewezen met mij te zijn door mij te helpen ’duidelijke dingen te spreken’ tot zijn eer, lof en heerlijkheid. Ik ben zeer blij en gelukkig onze zo barmhartige God te kunnen loven. — Verteld door Petr Kunc.
[Voetnoten]
a Uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.