Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g96 8/8 blz. 20-21
  • „Er is zilver in Potosí!”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Er is zilver in Potosí!”
  • Ontwaakt! 1996
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Slavernij
  • Babylon
  • Verspilde schatten
  • Jehovah’s zegen heeft mij rijk gemaakt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Zilver
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Hoe de Inka hun Gouden Rijk verloren
    Ontwaakt! 1998
  • Zilver
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Ontwaakt! 1996
g96 8/8 blz. 20-21

„Er is zilver in Potosí!”

DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN BOLIVIA

Het was in het jaar 1545, precies twaalf jaar nadat Francisco Pizarro het uitgestrekte Inkarijk had veroverd. De Spanjaarden ontdekten een jonge Indiaan die stiekem zilvererts won op een geheime plaats in het Andesgebergte in wat nu Bolivia is. De plaats heette Potosí. Plotseling deed het nieuws de ronde: „Er is zilver in Potosí!” Ondanks de naderende winter haastten mannen zich erheen om claims in het gebied te bemachtigen. Het gehalte van het erts was ongelofelijk hoog — het bestond voor vijftig procent uit zuiver zilver! Binnen anderhalf jaar woonden er 14.000 mensen in Potosí.

DE ERTSAFZETTING lag op de helling van een berg die zich 4688 meter boven de zeespiegel verheft. Het was een vijandige plaats, bijna verstoken van plantengroei, en ver boven de boomgrens. Het ultrarijke erts werd gesmolten in draagbare ovens waarbij men van de wind gebruik maakte om het houtskoolvuur aan te wakkeren tot de juiste temperatuur. Een kroniekschrijver uit die tijd tekende op dat hij 15.000 ovens tegelijk in bedrijf zag. ’s Nachts zagen ze er uit als een sterrenstelsel.

De stad aan de voet van de berg werd chaotisch gebouwd, met nauwe, bochtige straten om wat bescherming te bieden tegen de ijzige wind. De historicus R. C. Padden schreef: „Er werd niets gepland of geregeld, voornamelijk, zo vermoedt men, omdat men niet verwachtte dat er veel zilver zat.” Maar er zat wel veel zilver. De berg, Cerro Rico (Rijke Berg) geheten, bleek een van de grootste zilverafzettingen te bevatten die men ooit gevonden heeft.

Slavernij

De Spanjaarden leden bij hun zilverwinning verschrikkelijke ontberingen. Vaak was het voedsel schaars en het water verontreinigd en waren de mijnen gevaarlijk. De hevige kou vormde een ernstig probleem. Degenen die zich probeerden te verwarmen met houtskool kregen soms last van koolmonoxidevergiftiging.

Al snel vonden de Spanjaarden een manier om hun ontberingen te beperken. Als overwinnaars brachten zij de inheemse Indianen in slavernij. De Bolivian Times van La Paz verklaarde: „Naar verluidt zijn er acht miljoen Indiaanse slaven omgekomen”, gestorven in de mijnen van Potosí in het koloniale tijdperk. Wreedheid, de zware en langdurige arbeid en ziekten veroorzaakten een afschuwelijke ontvolking. Geen wonder dat een kroniekschrijver Potosí in 1550 „de ingang tot de hel” noemde!

Babylon

In 1572 was Potosí groter dan de grootste stad in Spanje. In 1611 zou de stad 160.000 inwoners geteld hebben en even groot zijn geweest als Parijs en Londen. Het was ook een van de rijkste steden ter wereld. Het was er mode zijde te dragen, afgezet met kant van goud en zilver. Elke luxe, zo leek het wel, was er te koop: zijde uit China, hoeden uit Engeland, kousen en ondergoed uit Napels en parfum uit Arabië. De inwoners decoreerden hun huizen met tapijten uit Perzië, meubels uit Vlaanderen, schilderijen uit Italië en glaswerk uit Venetië.

Maar Potosí was net zo gewelddadig als het rijk was. Bloedige vechtpartijen waren een dagelijks terugkerend schouwspel op de pleinen. Gokhuizen en bordelen waren er te over. Potosí kwam bekend te staan als Babylon.

Een van de voornaamste doelstellingen van de Spaanse veroveraars was, hun katholieke godsdienst in Amerika te vestigen. Maar hoe rechtvaardigden deze zogenaamde christenen hun grootscheepse winstbejag met behulp van slavernij? Terwijl sommige geestelijken zich duidelijk tegen het onrecht uitspraken, praatten anderen de slavernij goed door te beweren dat de tirannie van de Spanjaarden niet zo erg was als de tirannie van de Inka. Zij voerden aan dat de Indianen inferieure mensen waren en van nature geneigd tot het slechte — en dus beter af waren als zij in de mijnen werkten. Weer anderen beweerden dat het laten werken van de Indianen in de mijnen een noodzakelijke stap vormde in hun bekering tot het katholicisme.

Uit de geschiedenis blijkt echter dat de geestelijken tot de rijkste mensen in Potosí behoorden. De historicus Mariano Baptista zegt: „De Kerk als instituut, en haar vertegenwoordigers individueel, maakten een bevoorrecht deel uit van het gezelschap dat [de Indianen] uitbuitte.” Deze historicus citeert een onderkoning die in 1591 klaagde dat de geestelijken „de Indianen nog hebzuchtiger en ambitieuzer uitzuigen dan de leken”.

Verspilde schatten

Spanje was een arm land geweest, maar enkele tientallen jaren was het door zijn rijkdommen de grootste mogendheid op aarde. Die bevoorrechte status was echter van korte duur. Over de reden waarom Spanje geen blijvende vruchten van zijn rijkdommen plukte, zegt het boek Imperial Spain — 1469–1716 door J. H. Elliott: „De mijnen van Potosí brachten het land ongekende rijkdom; als het geld vandaag schaars was, zou het er morgen, wanneer de zilvervloot in Sevilla aankwam, weer in overvloed zijn. Waarom zou je plannen maken, sparen, werken?”

De schatten van Potosí werden verspild; de periode was doorspekt met koninklijke faillissementen. Volgens een gezegde uit die tijd was de komst van zilvervloten als een lichte zomerregen die de dakpannen een moment bevochtigde en dan verdampte. Terecht zei een zeventiende-eeuws waarnemer over de neergang van Spanje: „Het is niet rijk, juist door al zijn rijkdom.”

In de achttiende eeuw raakte Potosí in verval doordat het zilver op raakte, maar het kwam opnieuw tot leven toen tin belangrijk werd. Nu neemt tin niet zo’n belangrijke plaats meer in, hoewel Potosí nog steeds een centrum van industrie en mijnbouw is. Maar veel toeristen bezoeken Potosí om zich te vergasten aan zijn koloniale charme. Ook de rijkversierde kerken zullen hun opvallen, waarvan er veel leegstaan als teken van de afnemende belangstelling voor het katholicisme.

Thans is Potosí een sombere herinnering aan het onmetelijke leed dat is veroorzaakt door hebzucht, politiek gekonkel en godsdienstige verblindheid, een herinnering aan een hoofdstuk in de geschiedenis van Bolivia dat begon met de roep: „Er is zilver in Potosí!”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen