Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g96 22/4 blz. 12-18
  • Geleid door geloof in God in een communistisch land

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Geleid door geloof in God in een communistisch land
  • Ontwaakt! 1996
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik word gelovig
  • Mijn zoeken beloond
  • Beslissingen waar ik voor kwam te staan
  • Een wetenschapper verandert van inzicht
  • Onder verbodsbepalingen prediken
  • Onderworpen aan streng onderricht
  • Schitterende zegeningen
  • Ruim 40 jaar onder communistisch verbod
    Ontwaakt! 1995
  • Hoe mijn droom in vervulling ging
    Ontwaakt! 2002
  • ’Zelfs de tong van stamelenden zal spreken’
    Ontwaakt! 1996
  • Wat een vreugde in Oost-Europa!
    Ontwaakt! 1991
Meer weergeven
Ontwaakt! 1996
g96 22/4 blz. 12-18

Geleid door geloof in God in een communistisch land

VERTELD DOOR ONDREJ KADLEC

IN DE zomer van 1966 gaf ik als gids een toeristische rondleiding door mijn geboortestad — Praag in Tsjechoslowakije. Enthousiast over mijn pasgevonden geloof sprak ik over God terwijl ik de groep de indrukwekkende kerken en andere religieuze gebouwen van onze stad liet zien.

„Bent u een van Jehovah’s Getuigen?”, vroeg een Amerikaanse hoogleraar in de economie.

„Nee”, antwoordde ik. „Ik heb nog nooit van Jehovah’s Getuigen gehoord. Ik ben rooms-katholiek.”

Ik word gelovig

Ik ben grootgebracht door ouders die een vooraanstaande positie bekleedden op het terrein van onderwijs, politiek en geneeskunde. Kort na mijn geboorte in 1944 en het einde van de Tweede Wereldoorlog het jaar daarop, werd mijn vader communist. Hij was zelfs medeoprichter van de communistische hervormingsbeweging, en in 1966 werd hij hoofd van de economische hogeschool in Praag. Enkele jaren later werd hij benoemd tot minister van Onderwijs van Tsjechoslowakije, dat inmiddels een communistisch en atheïstisch land was geworden.

Moeder was een angstvallig eerlijke, getalenteerde vrouw. Zij was oogchirurg, naar men zei de beste in het land. Toch behandelde zij behoeftige mensen kosteloos. Ze zei altijd: „Alle gaven die je toevertrouwd zijn, moet je ten goede laten komen van de gemeenschap en de natie.” Zij ging zelfs niet met zwangerschapsverlof toen ik geboren werd, om in haar kliniek beschikbaar te kunnen blijven.

Er werd van mij verwacht dat ik op school een uitblinker was. Vader vroeg altijd: „Is er iemand beter dan jij?” Ik kreeg plezier in de wedijver, want ik won vaak schoolprijzen omdat ik zo’n uitmuntende leerling was. Ik leerde Russisch, Engels en Duits en maakte veel reizen in communistische landen en daarbuiten. Ik genoot ervan om religieuze ideeën te weerleggen als dwaas bijgeloof. En hoewel ik het atheïsme volledig onderschreef, ging ik de manier waarop het in de politiek in praktijk werd gebracht, haten.

Een reis naar Engeland in 1965, toen ik nog maar 21 jaar was, had een diepe uitwerking op mij. Ik ontmoette daar mensen die hun geloof in een Opperwezen met overtuiging en logica verdedigden. Toen ik weer in Praag terug was, gaf een rooms-katholieke kennis mij de raad: „Ga niet over het christendom lezen. Lees de bijbel.” En dat deed ik. Het kostte mij drie maanden om hem uit te lezen.

Wat indruk op mij maakte, was de manier waarop de bijbelschrijvers hun boodschap presenteerden. Zij waren openhartig en bezaten zelfkritiek. Ik ging geloven dat de schitterende toekomst waarover zij spraken, iets was wat alleen een persoonlijke God kon bedenken en verschaffen.

Nadat ik maanden voor mijzelf de bijbel had gelezen en had gemediteerd, voelde ik mij gereed voor de confrontatie met mijn vader en mijn vrienden. Ik wist dat zij mijn pasgevonden geloof zouden aanvechten. Daarna werd ik een ijverig bekeerder. Wie er ook maar in mijn buurt was — zoals die Amerikaanse hoogleraar die ik in het begin noemde — kreeg met mijn bekeringspogingen te maken. Ik hing zelfs een crucifix boven mijn bed om iedereen op mijn geloof attent te maken.

Moeder wierp echter tegen dat ik moeilijk een christen kon zijn omdat ik zoveel op mijn vader leek, een overtuigd communist. Toch ging ik door. Ik las de bijbel een tweede en een derde maal. Toen besefte ik dat ik om verdere vorderingen te maken, leiding nodig had.

Mijn zoeken beloond

Ik nam contact op met de Rooms-Katholieke Kerk. Een jonge pastoor zag het als zijn voornaamste taak mij de leerstellingen van de kerk te onderwijzen, die ik volledig aanvaardde. Vervolgens, in 1966, werd ik gedoopt — tot schande van mijn vader. Nadat de pastoor mij met water had besprenkeld, gaf hij mij de raad de bijbel te lezen, maar hij voegde eraan toe: „De paus heeft de evolutietheorie al aanvaard, dus maak je niet ongerust; wij zullen de tarwe van het onkruid scheiden.” Ik was geschokt dat het boek dat mij geloof had gegeven, in twijfel getrokken werd.

Intussen, in het najaar van 1966, sprak ik met een vriend uit een katholiek gezin en deelde mijn overtuiging met hem. Hij was ook bekend met de bijbel, en hij sprak met mij over Armageddon (Openbaring 16:16). Hij zei dat hij contact had met Jehovah’s Getuigen, van wie ik een paar maanden voordien voor het eerst had gehoord toen ik die eerder genoemde toeristische rondleiding gaf. Ik beschouwde deze groep echter als onbeduidend vergeleken met mijn machtige, welvarende, volkrijke Rooms-Katholieke Kerk.

Tijdens verdere gesprekken onderzochten wij drie brandende vraagstukken. Ten eerste: Is de Rooms-Katholieke Kerk de erfgenaam van het eerste-eeuwse christendom? Ten tweede: Wat dient als de uiteindelijke autoriteit te worden beschouwd — mijn kerk of de bijbel? En ten derde: Welke van de twee is juist: het bijbelse scheppingsverslag of de evolutietheorie?

Aangezien de bijbel voor ons beiden de basis voor geloof was, kostte het mijn vriend geen moeite mij ervan te overtuigen dat de leringen van de Katholieke Kerk veel verschillen van die van het vroege christendom. Ik kwam er bijvoorbeeld achter dat zelfs katholieke bronnen erkennen dat de belangrijke kerkelijke leer van de Drieëenheid niet gebaseerd is op de onderwijzingen van Jezus Christus en zijn apostelen.

Dat bracht ons op de daarmee verband houdende vraag wat onze uiteindelijke autoriteit dient te zijn — de kerk of de bijbel? Ik verwees naar de woorden van St.-Augustinus: „Roma locuta est; causa finita est”, dat wil zeggen: „Als Rome heeft gesproken, is de zaak beslist.” Maar mijn vriend was van mening dat Gods Woord, de bijbel, onze hoogste autoriteit dient te zijn. Ik moest instemmen met de woorden van de apostel Paulus: „God worde waarachtig bevonden, ook al wordt ieder mens een leugenaar bevonden.” — Romeinen 3:4.

Ten slotte gaf mijn vriend mij een verfomfaaid getypt manuscript, getiteld Evolutie contra de Nieuwe Wereld. Aangezien Jehovah’s Getuigen aan het eind van de jaren ’40 verboden waren verklaard in Tsjechoslowakije, maakten zij afschriften van hun publikaties en keken goed uit aan wie zij die gaven. Toen ik deze brochure gelezen had, wist ik dat er de waarheid in stond. Mijn vriend begon een bijbelstudie met mij. Hij leende mij elke keer een paar bladzijden van het bijbelstudiehulpmiddel „God zij waarachtig”, en dan bespraken wij die bladzijden samen.

Kort nadat wij met deze besprekingen waren begonnen — in de kersttijd van 1966 — kwamen vrienden uit West-Duitsland naar Praag om mij een bezoek te brengen. In een van onze gesprekken bespotten zij christenen als huichelachtige oorlogsaanstokers. „Als soldaten van NAVO-landen zouden wij tegen jou als belijdend christen in een communistisch Warschaupactland kunnen vechten”, zeiden zij. Hun conclusie was: „Je kunt beter cynisch zijn dan een huichelaar.” Ik vond dat zij wel eens gelijk zouden kunnen hebben. Dus vroeg ik mijn vriend tijdens mijn eerstvolgende bijbelstudie hoe ware christenen tegenover oorlog en opleiding voor oorlog staan.

Beslissingen waar ik voor kwam te staan

Ik stond versteld van de duidelijke verklaring van mijn vriend. Toch zou het opvolgen van de bijbelse leer om ’zwaarden tot ploegscharen te slaan’ mijn leven en mijn geplande carrière drastisch veranderen (Jesaja 2:4). Over vijf maanden zou ik afstuderen aan de medische faculteit, waarna ik een periode van militaire dienstplicht moest vervullen. Wat moest ik doen? Ik was radeloos. Dus bad ik tot God.

Na er dagenlang heel serieus over te hebben nagedacht, kon ik geen excuus vinden om mij niet te houden aan het vereiste voor ware christenen om vredelievend te zijn. Nadat ik mijn studie aan de universiteit had afgerond, besloot ik een baan in een ziekenhuis aan te nemen totdat ik als gewetensbezwaarde werd veroordeeld. Maar toen kwam ik te weten wat de bijbel zegt over het zich onthouden van bloed. Ik besefte dat ik door mijn werk betrokken zou kunnen zijn bij het toedienen van bloedtransfusies, en daarom besloot ik mijn werk in het ziekenhuis op te geven (Handelingen 15:19, 20, 28, 29). Deze beslissing leidde ertoe dat ik in het openbaar hevig bekritiseerd werd.

Nadat mijn vader zich ervan had overtuigd dat ik geen opzettelijke relschopper was geworden die zijn politieke carrière wilde ruïneren, greep hij in en liet mijn militaire dienst een jaar uitstellen. Die zomer van 1967 had ik het moeilijk. Denkt u zich mijn situatie eens in: Ik was een nieuwe bijbelstudent wiens studieleider, de enige Getuige met wie ik tot dan toe in contact was gekomen, de hele zomer weg was. En hij had maar een paar hoofdstukken van het boek „God zij waarachtig” voor mijn persoonlijke studie achtergelaten. Die en mijn bijbel waren mijn enige bron van geestelijke leiding.

Later leerde ik andere Getuigen kennen, en op 8 maart 1968 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah God door de waterdoop. Het jaar daarop kreeg ik een tweejarige postdoctorale cursus aan de Universiteit van Oxford in Engeland aangeboden. Sommigen gaven mij de raad om het aanbod te accepteren en naar Engeland te gaan, waar ik geestelijke vorderingen kon maken in een land waar de Getuigen niet onder verbodsbepalingen stonden. Tegelijkertijd kon ik mij voorbereiden op een voortreffelijke professionele carrière. Een christelijke ouderling zei daarentegen dat mijn diensten in Tsjechoslowakije harder nodig waren dan in Engeland. Dus besloot ik dat aanbod om mijn wereldse opleiding voort te zetten af te slaan, en ik bleef in Tsjechoslowakije om bij onze ondergrondse prediking te helpen.

In 1969 werd ik uitgenodigd een cursus bij te wonen van de Koninkrijksbedieningsschool, waar gespecialiseerd onderricht voor christelijke opzieners werd geboden. Datzelfde jaar won ik een beurs als de beste jonge farmacoloog in Tsjechoslowakije. Als gevolg daarvan woonde ik in Zwitserland een congres bij van de Internationale Vereniging voor Farmacologie.

Een wetenschapper verandert van inzicht

Tijdens een lezing die ik in 1970 bijwoonde, verklaarde een wetenschapper genaamd František Vyskočil het ingewikkelde onderwerp van de overdracht van zenuwimpulsen. Hij zei dat steeds wanneer er in een organisme een behoefte ontstond, er voor een uitstekende oplossing werd gezorgd. „De Natuur, de Tovenares, weet hoe zij dit moet aanpakken”, concludeerde hij.

Na de lezing ging ik naar hem toe. „Vindt u niet”, vroeg ik, „dat de eer voor de uitmuntende ontwerpen in levende dingen naar God behoort te gaan?” Mijn vraag verbaasde hem, want hij was atheïst. Hij antwoordde met een ander soort vragen. Hij vroeg: „Waar is het kwaad vandaan gekomen?”, en: „Wiens schuld is het dat zoveel kinderen wezen zijn?”

Toen ik redelijke, op de bijbel gebaseerde antwoorden gaf, werd zijn belangstelling gewekt. Maar hij vroeg waarom de bijbel geen specifieke wetenschappelijke informatie verschaft, zoals een beschrijving van de structuur van een cel, zodat mensen de auteur van de bijbel gemakkelijk als de Schepper konden herkennen. „Wat is moeilijker,” antwoordde ik, „beschrijven of scheppen?” Ik leende hem het boek Is de mens ontstaan door evolutie of door schepping?

Na het oppervlakkig gelezen te hebben, brandmerkte František het als simpel en onnauwkeurig. Ook had hij kritiek op wat de bijbel over polygamie zei, over Davids overspel en over diens moord op een onschuldig man (Genesis 29:23-29; 2 Samuël 11:1-25). Ik weerlegde zijn tegenwerpingen door erop te wijzen dat de bijbel eerlijk verslag uitbrengt van zelfs de tekortkomingen van Gods dienstknechten, alsook van hun regelrechte overtredingen.

In een van onze gesprekken vertelde ik František ten slotte dat als iemand geen goede beweegreden heeft, als het hem aan liefde voor de waarheid ontbreekt, geen enkel argument en geen enkele redenering hem van Gods bestaan zal overtuigen. Toen ik op het punt stond weg te gaan, hield hij mij tegen en vroeg om een bijbelstudie. Hij zei dat hij het boek Is de mens ontstaan door evolutie of door schepping? opnieuw zou lezen — dit keer onbevooroordeeld. Daarna veranderde zijn houding compleet, zoals bleek uit de volgende aanhaling die hij in een van zijn brieven deed: „De hoogmoed van de aardse mens moet neergebogen worden, en de hovaardigheid der mannen moet omlaaggehaald worden; en Jehovah alleen moet hoog verheven worden op die dag.” — Jesaja 2:17.

In de zomer van 1973 werden František en zijn vrouw als Jehovah’s Getuigen gedoopt. Momenteel dient hij als ouderling in een van de gemeenten in Praag.

Onder verbodsbepalingen prediken

Tijdens het verbod kregen wij aanwijzingen om onze velddienst met grote voorzichtigheid te verrichten. Op een keer vroeg een jongere Getuige mij steeds of ik met hem aan de prediking wilde deelnemen. Hij betwijfelde of degenen die in de organisatie van Jehovah’s Getuigen de leiding nemen, werkelijk zelf in de velddienst gaan. Wij hadden heel wat fijne gesprekken tijdens onze informele dienst. Maar ten slotte troffen wij een man die, hoewel ik dat toen niet besefte, mijn gezicht herkende van een foto in een album van de geheime staatspolitie. Hoewel ik niet werd gearresteerd, werden sindsdien van officiële zijde mijn gangen nauwkeurig nagegaan, wat een belemmering vormde voor mijn doeltreffendheid in onze ondergrondse prediking.

In de zomer van 1983, zoals ook in vorige jaren mijn gewoonte was geweest, organiseerde ik een groep jonge Getuigen om een paar dagen in een afgelegen deel van het land informeel getuigenis te geven. Ik bleef in gebreke om wijze raad ter harte te nemen en ging met de auto, omdat dat comfortabeler was dan gebruik te maken van het openbaar vervoer. Toen wij even pauzeerden om in een warenhuis een paar dingen te kopen, parkeerde ik mijn auto voor de deur. Terwijl ik de aankopen betaalde, wees ik op een paar jonge winkelassistenten en zei tegen een oudere werkneemster: „In de toekomst zouden wij allemaal jong kunnen zijn.” De vrouw glimlachte. „Het ligt echter niet binnen het bereik van ons mensen”, ging ik verder. „Er zou hulp van boven nodig zijn.”

Aangezien er verder niet werd gereageerd, ging ik weg. Zonder dat ik het wist hield de werkneemster, die vermoedde dat ik religieuze ideeën propageerde, mij door het raam in de gaten terwijl ik het pakje in mijn auto legde. Toen lichtte zij de politie in. Uren later, nadat wij in andere delen van de stad informeel getuigenis hadden gegeven, kwamen mijn velddienstpartner en ik terug bij de auto. Plotseling verschenen er twee politiemannen die ons in hechtenis namen.

Op het politiebureau werden wij urenlang ondervraagd voordat wij te horen kregen dat wij konden gaan. Mijn eerste gedachte was wat ik moest doen met de adressen van geïnteresseerde personen die wij die dag hadden verzameld. Dus ging ik naar het toilet om ze door te spoelen. Maar voor ik dat kon doen, hield de sterke hand van een politieman mij tegen. Hij viste de papieren uit de toiletpot en maakte ze schoon. Dit gaf mij nog meer spanning, want nu waren mensen die mij hun adres hadden gegeven, in gevaar.

Later werden wij allemaal naar ons hotel gebracht, waar de politie onze kamer al had doorzocht. Maar zij hadden geen andere adressen van geïnteresseerde personen gevonden, hoewel wij die niet goed verborgen hadden. Later werd ik op de plaats waar ik als neurofarmacoloog werkzaam was, in het openbaar berispt wegens mijn betrokkenheid bij illegale activiteiten. Ook kreeg ik een uitbrander van de opziener over het predikingswerk in Tsjechoslowakije, die mij van tevoren had gewaarschuwd niet mijn auto te gebruiken wanneer wij in de velddienst gingen.

Onderworpen aan streng onderricht

In 1976 had ik de toewijzing ontvangen om dienst te verrichten in het comité dat het opzicht heeft over het predikingswerk van Jehovah’s Getuigen in Tsjechoslowakije. Maar aangezien al mijn gangen nauwkeurig werden nagegaan door de geheime politie omdat ik onder andere in de eerder genoemde kwesties van een slecht oordeel blijk had gegeven, werd ik ontheven van mijn dienst in het landscomité en van verschillende andere voorrechten. Een van deze voorrechten die ik vooral heel kostbaar achtte, was onderwijs geven op de school voor reizende opzieners en pioniers, zoals volle-tijddienaren worden genoemd.

Ik aanvaardde het strenge onderricht dat ik ontving, maar deze periode, van het midden tot het eind van de jaren ’80, was een moeilijke tijd van zelfonderzoek voor mij. Zou ik leren met meer beleid te werk te gaan en verdere onbezonnen daden te vermijden? Psalm 30 vers 5 zegt: „In de avond kan geween zijn intrek nemen, maar in de morgen is er vreugdegeroep.” Die morgen brak voor mij aan met de val van het communistische regime in Tsjechoslowakije in november 1989.

Schitterende zegeningen

Wat een verandering was het om openlijk in de velddienst te kunnen gaan en vrijuit te kunnen communiceren met het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York)! Ik werd al gauw als reizende opziener aangesteld, en ik begon met dit werk in januari 1990.

Toen kreeg ik in 1991 het voorrecht in Manchester (Engeland) de Bedienarenopleidingsschool te bezoeken. Wat een zegen was het om twee maanden lang te genieten van omgang met rijpe christelijke mannen en door hen onderwezen te worden! Wij studenten kregen elke dag een werktoewijzing, die een aangename onderbreking vormde van de intensieve theorielessen die wij ontvingen. Mijn toewijzing was ramen lappen.

Onmiddellijk na mijn terugkeer uit Engeland begon ik te helpen met het treffen van regelingen voor de gedenkwaardige bijeenkomst van Jehovah’s Getuigen, die van 9 tot 11 augustus in het grote Strahovstadion in Praag werd gehouden. Bij die gelegenheid kwamen 74.587 mensen uit vele landen in vrijheid bijeen om onze God, Jehovah, te aanbidden!

Het jaar daarop stopte ik met mijn werk als neurofarmacoloog. Ik werk nu al bijna vier jaar op het kantoor in Praag, waar ik opnieuw dienst verricht in het comité dat het opzicht heeft over het werk van Jehovah’s Getuigen in Tsjechië. Onlangs werd een nieuw gebouw van tien verdiepingen, een schenking aan Jehovah’s Getuigen, gerenoveerd en in gebruik genomen als bijkantoor. Op 28 mei 1994 werd deze schitterende voorziening opgedragen aan Jehovah’s dienst.

Een van mijn grootste zegeningen is het voorrecht bijbelse waarheden met anderen te delen, met inbegrip van mijn familieleden. Op dit moment zijn mijn vader en moeder nog geen Getuigen geworden, maar zij staan nu welwillend tegenover mijn werk. De afgelopen paar jaar hebben zij enkele van onze vergaderingen bijgewoond. Ik hoop vurig dat zij, samen met miljoenen andere oprechte mensen, zich nederig aan de heerschappij van Gods koninkrijk zullen onderwerpen en zich mogen verheugen in de eeuwige zegeningen die God in petto heeft voor degenen die hem verkiezen te dienen.

(De publikaties die in dit artikel worden genoemd, zijn uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.)

[Illustratie op blz. 12]

Als student aan de universiteit

[Illustraties op blz. 13]

Mijn vader, die minister van Onderwijs van Tsjechoslowakije werd, en mijn moeder, die een bekende oogchirurg was

[Illustratie op blz. 15]

František Vyskočil, wetenschapper en atheïst, die een Getuige werd

[Illustratie op blz. 16, 17]

Sinds de val van het communisme hebben Jehovah’s Getuigen veel grote congressen in Oost-Europa gehouden. Meer dan 74.000 mensen woonden in 1991 dit congres in Praag bij

[Illustratie op blz. 18]

Bezig met mijn werktoewijzing tijdens de Bedienarenopleidingsschool in Engeland

[Illustratie op blz. 18]

Ons bijkantoor in Praag, ingewijd op 28 mei 1994

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen