De aarde — Gods geschenk aan ons
„IN HET begin schiep God de hemel en de aarde.” Hij verklaarde ook dat de aarde „zeer goed” was (Genesis 1:1, 31). De aarde werd niet ontsierd door hopen afval, niet verontreinigd door vuilstortplaatsen. De mensheid ontving een prachtig geschenk: „Wat de hemel betreft, aan Jehovah behoort de hemel toe, maar de aarde heeft hij aan de mensenzonen gegeven.” — Psalm 115:16.
In Jesaja 45:18 vertelt hij wat zijn voornemen met de aarde is: „Dit heeft Jehovah gezegd, de Schepper van de hemelen, Hij, de ware God, de Formeerder van de aarde en de Maker ervan, Hij, die haar stevig heeft bevestigd, die haar niet louter voor niets heeft geschapen, die haar geformeerd heeft om ook bewoond te worden: ’Ik ben Jehovah, en er is geen ander.’”
Hij vermeldt specifiek wat de verantwoordelijkheid van de mens voor de aarde is — „die te bebouwen en er zorg voor te dragen”. — Genesis 2:15.
Jehovah geeft het voorbeeld. Hij draagt zorg voor de aarde, bijvoorbeeld door de belangrijke voorzieningen van de aarde, de dingen waarvan al het leven op aarde afhankelijk is, te recyclen. Een speciale uitgave van Scientific American bevatte artikelen over verscheidene van deze kringlopen, zoals de energiekringloop van de aarde, de energiekringloop van de biosfeer, de waterkringloop, de zuurstofkringloop, de koolstofkringloop, de stikstofkringloop en de mineraalkringlopen.
De aarde — Zowel verbazingwekkend als prachtig
De alom gepubliceerde bioloog Lewis Thomas wijdde in het wetenschappelijke blad Discover deze onverdeelde lofzang aan de aarde:
„Het overweldigende wonder, het vreemdste ons bekende bouwwerk tot dusver in het hele universum, het grootste van alle kosmologische wetenschappelijke raadsels, onbegrijpelijk in weerwil van al onze pogingen om het te bevatten, is de aarde. Wij beginnen nu pas te beseffen hoe vreemd en hoe schitterend ze is, hoe adembenemend, het liefelijkste object dat rond de zon draait, ingesloten in haar eigen blauwe luchtbel, zelf haar zuurstof producerend en ademend, zelf stikstof uit de lucht halend en in haar grond brengend, haar eigen weer makend aan de oppervlakte van haar regenwouden, haar eigen korst opbouwend uit levende onderdelen: kalkrotsen, koraalriffen, fossielen van vroegere levensvormen nu bedekt met lagen nieuw leven onderling verweven rond de aardbol.”
Dit zijn slechts enkele van de voorzieningen die Jehovah heeft getroffen om de aarde blijvend te laten functioneren als een prachtig geschenk voor de mensheid, een woonplaats geschapen om eeuwig intact te blijven voor mensen en talloze miljoenen andere levende schepselen. Psalm 104:5 zegt: „Hij heeft de aarde op haar vaste plaatsen gegrondvest; ze zal tot onbepaalde tijd, of voor eeuwig, niet aan het wankelen worden gebracht.” Een andere geïnspireerde waarnemer getuigde van deze zelfde bestendigheid van de aarde: „Een geslacht gaat, en een geslacht komt; maar de aarde staat zelfs tot onbepaalde tijd.” — Prediker 1:4.
Astronauten die rond de aarde cirkelden, werden lyrisch over deze zijn baan rond de zon beschrijvende, schitterende, broze bol en wezen op de noodzaak dat de mens de schoonheid ervan waardeerde en er zorg voor droeg. Toen de astronaut Edgar Mitchell voor het eerst vanuit de ruimte een glimp van de aarde opving, liet hij Houston via de radio weten: „Ze ziet er uit als een fonkelende blauw met witte edelsteen . . . afgezet met traag wervelende sluiers van wit . . ., als een kleine parel in een nachtzwarte mysterieuze zee.” De astronaut Frank Borman merkte op: „Wij hebben zo’n prachtige planeet. . . . Het is absoluut een raadsel waarom wij in vredesnaam toch niet kunnen waarderen wat wij hebben.” Een van de astronauten van de Apollo-8 merkte op zijn vlucht naar de maan op: „In het gehele universum, waar wij ook keken, was het enige beetje kleur dat wij zagen, daarginds op de aarde. Daar konden wij het koninklijke blauw van de zeeën, de bruine kleurschakeringen van het land en het wit van de wolken zien. . . . Het was het prachtigste wat er in heel het uitspansel te zien was. De mensen hier beneden beseffen niet wat zij hebben.”
De feiten tonen aan dat deze uitspraak waar is — de mensen beseffen niet wat een schat zij hebben. In plaats dat de mensheid voor dit geschenk van God zorg draagt, verontreinigt en vernietigt ze het. Dat hebben astronauten ook gezien. Paul Weitz, de commandant op de eerste vlucht van het ruimteveer Challenger, zei dat de schade die de mens de aardatmosfeer heeft toegebracht, „verschrikkelijk” is vanuit de ruimte gezien. „Ongelukkig genoeg is deze wereld snel een grijze planeet aan het worden.” Hij voegde er nog aan toe: „Wat is de boodschap? Wij zijn ons eigen nest aan het bevuilen.” En in het bijzonder in deze „laatste dagen” heeft die vernielzucht hachelijke vormen aangenomen. Jehovah heeft zijn vonnis uitgevaardigd over degenen die de aarde ruïneren, namelijk dat hij zal „verderven die de aarde verderven”. — Openbaring 11:18.
Een ondankbare maatschappij Gods geschenk onwaardig
Een materialistische samenleving heeft de geestelijke waarden met voeten getreden om het vlees vrij spel te geven. De praktische richtlijnen voor een gelukkige en tevreden levenswijze die Jehovah de mensheid gaf, zijn terzijde geschoven onder invloed van de zelfzuchtige „ik eerst”-filosofie die kenmerkend is voor onze tijd.
In 2 Timotheüs 3:1-5 wordt een perfecte beschrijving gegeven van de hachelijke tijden waarin wij leven: „Weet dit, dat er in de laatste dagen kritieke tijden zullen aanbreken, die moeilijk zijn door te komen. Want de mensen zullen zichzelf liefhebben, het geld liefhebben, zullen aanmatigend zijn, hoogmoedig, lasteraars, ongehoorzaam aan ouders, ondankbaar, deloyaal, zonder natuurlijke genegenheid, niet ontvankelijk voor enige overeenkomst, kwaadsprekers, zonder zelfbeheersing, heftig, zonder liefde voor het goede, verraders, onbezonnen, opgeblazen van trots, met meer liefde voor genoegens dan liefde voor God, die een vorm van godvruchtige toewijding hebben, maar de kracht ervan niet blijken te bezitten; en keer u af van dezen.”
De commercie werkt de consumptiemaatschappij in de hand en de reclame is haar dienstwillige dienares. Aan veel reclame is niets mis, aan veel wel. Dat klopt met wat Eric Clark opmerkt in The Want Makers: „Niet alleen helpt de reclame eraan mee dat de verkeerde dingen worden verkocht aan mensen die zich die niet kunnen veroorloven, maar vaak gebeurt dat ook nog tegen prijzen die buitensporig hoog zijn.” Alan Durning van World Watch zegt in dat verband: „Adverteerders verkopen geen produkten maar een manier van leven, opvattingen en fantasieën; zij koppelen hun waren aan de onbegrensde hunkeringen van de ziel.” De reclame is erop gericht ons ontevreden te maken met wat wij hebben en verlangend naar wat wij niet nodig hebben. Ze schept een onverzadigbare honger; ze leidt tot afmattende overconsumptie; ze veroorzaakt de zich snel uitbreidende vuilstortplaatsen die de aarde verontreinigen. Haar sluwe overredingskracht weet zelfs geleidelijk door te dringen tot het moede hart van mensen die in hopeloze armoede leven. Veel adverteerders maken agressieve reclame voor goederen waarvan bekend is dat mensen er ziek door worden of sterven.
Wat er werkelijk toe doet, is onze reputatie bij God, zoals Prediker 12:13 zegt: „Het slot van de zaak, nu alles is gehoord, is: Vrees de ware God en onderhoud zijn geboden. Want dit is de gehele verplichting van de mens.” Zij die dit doen, zullen in aanmerking komen voor leven in Jehovah’s schone paradijs! Jezus beloofde: „Verwondert u hierover niet, want het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen, zij die goede dingen hebben gedaan, tot een opstanding des levens, zij die verachtelijke dingen hebben beoefend, tot een opstanding des oordeels.” — Johannes 5:28, 29.
Wanneer Gods geschenk gewaardeerd zal worden
En wat een ongelofelijk heerlijke aarde zal dat zijn! Jehovah heeft ons daar deze adembenemende beschrijving van gegeven: „Ik [Johannes] zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de vroegere hemel en de vroegere aarde waren voorbijgegaan, en de zee is niet meer. [God] zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.” — Openbaring 21:1, 4.
Verdwenen ook zullen vroegere dingen zijn zoals vuilstortplaatsen, giftig afval en mensen die anderen met hun afval opzadelen. Dan zullen de enige mensen die op aarde leven, degenen zijn die hun naaste liefhebben als zichzelf, die Jehovah loven om de aarde die hij hun geschonken heeft en die het een genoegen vinden er zorg voor te dragen en ze in een paradijselijke toestand te houden. — Mattheüs 22:37, 38; 2 Petrus 3:13.
[Kader op blz. 11]
De ijdelheid van het materialisme
Jezus uitte een vlijmscherpe waarheid toen hij waarschuwde: „Let op en hoedt u voor elke soort van hebzucht, want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven spruit niet voort uit de dingen die hij bezit” (Lukas 12:15). Het is niet wat wij hebben dat telt; wat wij zijn, dát doet ertoe. Wij laten ons maar al te gemakkelijk opslokken door alle drukte van het leven — geld verdienen, dingen vergaren, de koortsachtige haast om toch maar alle genoegens te smaken waarnaar het vlees snakt — en denken dan dat wij uit het leven halen wat erin zit, dat wij niets missen, terwijl wij misschien het beste missen dat het leven te bieden heeft.
Pas als het leven ons begint te ontglippen, beseffen wij wat wij verloren hebben. Dan zien wij in hoe waar het is wat de bijbel zegt: Het leven is heel kort — een nevel die verdwijnt, een rookwolk, een ademtocht, een schaduw die voorbijgaat, groen gras dat verdort, een bloem die verwelkt. Waar is het gebleven? Wat hebben wij ermee gedaan? Waarom waren wij hier? Is dit alles wat er is? Slechts ijdelheid der ijdelheden, een najagen van wind? — Job 14:2; Psalm 102:3, 11; 103:15, 16; 144:4; Jesaja 40:7; Jakobus 4:14.
Een man in een ziekenhuis, stervend, ziet als hij uit een raam kijkt een helling die zich baadt in de warme zonneschijn, een mengeling van gras en onkruid, een paar kleine, verkommerde bloemen, een mus die in de aarde naar wat zaadjes krabt — niet echt een ontroerend tafereel. Maar in de ogen van de stervende man is het prachtig. Een triest verlangen beroert hem als hij bedenkt welke simpele vreugden hij heeft gemist, de kleine dingen die zo veel betekenen. Alles zo snel voorbij!
De Griekse Geschriften van de bijbel zeggen het duidelijk: „Wij hebben niets in de wereld meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen. Wanneer wij daarom voedsel, kleding en onderdak hebben, zullen wij daarmee tevreden zijn” (1 Timotheüs 6:7, 8). De Hebreeuwse Geschriften zeggen het nog onverbloemder: „Juist zoals men uit zijn moeders buik is voortgekomen, zal men naakt weer heengaan, juist zoals men gekomen is; en men kan volstrekt niets wegdragen voor zijn harde werk, dat hij met zijn hand kan meenemen.” — Prediker 5:15.
[Illustratieverantwoording op blz. 8]
NASA-foto