Waar aids pandemisch is
IN NOG geen vijftien jaar heeft aids zijn schaduw over elk continent op aarde geworpen. In slechts enkele jaren tijd is deze biologische bom geëxplodeerd en heeft aids pandemische proporties aangenomen. De WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) heeft het mondiale aantal personen dat per dag wordt besmet op 5000 geschat. Dat is meer dan drie mensen per minuut! De landen die het zwaarst zijn getroffen, zijn de armere landen, de zogenoemde ontwikkelingslanden. Volgens voorspellingen van de WHO zal tegen het jaar 2000 negentig procent van alle HIV-infecties en uiteindelijk negentig procent van alle aidsgevallen in deze landen te vinden zijn.
De zwaarst getroffenen
Rose was 27 jaar en getrouwd en had drie kinderen toen haar man plotseling ziek werd. Hij stierf enkele maanden later. De oorzaak van de dood van haar man was toen niet zeker. Dokters stelden tuberculose vast. Verwanten zeiden dat hij behekst was. De familie van haar man begon zich de bezittingen van Rose toe te eigenen. Haar schoonouders namen met geweld haar kinderen mee terwijl zij afwezig was. Rose was gedwongen naar haar eigen dorp terug te keren. Twee jaar later moest zij steeds braken en kreeg zij last van diarree. Toen besefte zij dat haar man aan aids was gestorven en dat ook zij besmet was. Rose stierf drie jaar later, op 32-jarige leeftijd.
Tragische geschiedenissen zoals deze komen nu veel voor. In sommige streken zijn hele families en zelfs dorpen weggevaagd.
„Het grootste gezondheidsprobleem van onze tijd”
Regeringen in ontwikkelingslanden zijn zwaar gehandicapt wanneer zij proberen er iets aan te doen. Door het gebrek aan financiële middelen en de aanwezigheid van andere urgente en kostbare prioriteiten blijkt aids de spreekwoordelijke laatste druppel te zijn. De wereldwijde recessie, voedseltekorten, natuurrampen, oorlogen, culturele gebruiken en bijgeloof maken het probleem nog groter. De speciale verzorging, waarbij voor de veelvuldige infecties van aidspatiënten allerlei benodigdheden en medicijnen komen kijken, is duur. Veel van de grote ziekenhuizen zijn thans overvol, verwaarloosd en onderbezet. De meeste patiënten met aids worden nu naar huis gestuurd om daar te sterven, zodat er plaats komt voor een steeds groeiend aantal andere hulpbehoevende patiënten. In samenhang met aids is er een alarmerende toename in secundaire infecties als tuberculose. Sommige landen hebben bericht dat het aantal sterfgevallen door tuberculose de afgelopen drie jaar is verdubbeld, en wel tachtig procent van de ziekenhuispatiënten met aids heeft tuberculose.
De maatschappelijke gevolgen van aids
De aidspandemie drukt niet alleen zwaar op het gezondheidsstelsel maar op alle sectoren van de economie en de samenleving. Wel tachtig procent van de mensen die besmet zijn, is tussen de zestien en veertig jaar, de meest produktieve leeftijdsgroep in de maatschappij. De meeste kostwinners vallen in deze leeftijdsklasse. De meeste gezinnen zijn van hen afhankelijk, maar wanneer zij ziek worden en ten slotte sterven, blijven de zeer jongen en bejaarden zonder middelen van bestaan achter. In elke Afrikaanse samenleving is het traditie dat wanneer de ouders van een kind sterven, het kind in de familie wordt geadopteerd en opgenomen. Thans echter zijn bij de dood van de ouders de grootouders of andere nog levende familieleden dikwijls te oud of gaan zij vaak al gebukt onder de pogingen om in de behoeften van hun eigen kinderen te voorzien. Deze situatie heeft geleid tot een wezencrisis en een toename van het aantal straatkinderen. De WHO voorspelt dat alleen al in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara tegen het einde van deze eeuw ruim tien miljoen kinderen wees zullen zijn.
Voor vrouwen is de aidsgesel dubbel zo verontrustend en belastend. Juist van vrouwen wordt in eerste instantie verlangd dat zij de zieken en stervenden de 24 uur per dag nodige verpleging geven — en dat naast alle andere huishoudelijke taken die zij te verrichten hebben.
Wat er wordt gedaan
In het begin van de jaren ’80 waren veel regeringsfunctionarissen, bevooroordeeld door het stigma dat er aan aids kleefde en niet beseffend met wat een snelheid het zich zou verspreiden, apathisch en zorgeloos. Maar in 1986 verklaarde de Oegandese regering aids de oorlog. Oeganda komt de eer toe zich de afgelopen negen jaar „op de meest innovatieve wijze tot dusver, ingezet te hebben voor de bestrijding van aids”.
Thans zijn er ruim 600 nationale en internationale organisaties en instellingen in Oeganda die zich bezighouden met pogingen om de verbreiding van aids tegen te gaan. Deze humanitaire instellingen hebben door het hele land een netwerk van aidsvoorlichtingscentra opgezet. Via toneelstukjes, dansen, liedjes, radio- en tv-programma’s, kranten en de telefoon wordt de aandacht van het publiek op de aidsgesel gevestigd. Naast verzorging thuis en materiële bijstand krijgen personen met aids en ook weduwen en wezen raad en begeleiding.
Onder Jehovah’s Getuigen wordt de zorg voor wezen en weduwen als een onderdeel van de christelijke aanbidding beschouwd (Jakobus 1:27; 2:15-17; 1 Johannes 3:17, 18). De gemeente neemt de verantwoordelijkheid van gezinsleden om voor de hunnen te zorgen niet over. Maar als er geen naaste familieleden zijn, of als wezen en weduwen gewoon niet in staat zijn in hun eigen onderhoud te voorzien, komt de gemeente hun liefdevol te hulp.
Joyce bijvoorbeeld was een van Jehovah’s Getuigen en woonachtig in Kampala, de hoofdstad van Oeganda. Zij was aidspatiënte en stierf in augustus 1993. Voordat zij stierf, schreef zij het volgende verslag: „Ik ben opgegroeid als protestant en ben later met een katholiek getrouwd. Ik zag echter dat velen van mijn kerk immoraliteit bedreven en daarom ging ik er niet meer heen. Mijn oudste zus bestudeerde de bijbel met Jehovah’s Getuigen en toen zij op bezoek kwam, vertelde zij me over de dingen die zij uit de bijbel leerde.
Mijn man was er erg op tegen dat ik de bijbel bestudeerde. Zelfs mijn ouders begonnen zich tegen mij te keren, vooral mijn vader. Die tegenstand hield twee jaar aan, maar ik liet me er niet door ontmoedigen, daar ik ervan overtuigd was dat ik de waarheid leerde kennen. Toen ik mijn man vertelde dat ik gedoopt wilde worden, was hij woedend. Hij mishandelde me en zei me het huis te verlaten. Dus ging ik weg en woonde in mijn eentje in een kleine gehuurde kamer.
Enige tijd later vroeg mijn man me terug te komen. Niet lang nadat ik terug was, begon hij zwak en ziekelijk te worden. Ik was verbaasd, omdat hij altijd zo gezond was geweest. Ten slotte gingen wij inzien dat hij aids had. Hij stierf in 1987. Ik was toen gewone pionierster [volle-tijdpredikster], en hoewel ik nu weduwe was en vijf kinderen had, bleef ik in de pioniersdienst.
Vier jaar later, in 1991, besefte ik dat ik door mijn man met aids besmet was. Ik begon lichamelijk achteruit te gaan en had last van uitslag, viel snel af en kreeg steeds weer griep. Ik bleef pionieren en leidde twintig bijbelstudies, maar toen mijn krachten afnamen, moest ik ze tot zestien beperken. Zeven van deze studies werden ten slotte gedoopt.
Ik voelde me nooit geïsoleerd of neerslachtig, daar de gemeente een ware steun voor me was. Op het laatst moest ik door lichamelijke zwakte af en toe vergaderingen overslaan. De broeders namen ze voor me op een cassettebandje op en het ontbrak me nooit aan geestelijk voedsel. De gemeenteouderlingen stelden een rooster op zodat mijn geestelijke zusters om beurten voor mij konden zorgen en zelfs ’s nachts bij me konden blijven. Eén ding baarde me echter zorgen — mijn kinderen. ’Wat zal er met hen gebeuren als ik er niet meer ben?’, vroeg ik me af.
In Afrika eigent de familie zich vaak de eigendommen van een overledene toe, dus legde ik dat Jehovah voortdurend in gebed voor. Ik besloot mijn huis te verkopen en kleinere huureenheden te laten bouwen zodat mijn kinderen altijd een plek om te wonen en een geregelde bron van inkomsten zouden hebben. De broeders in de gemeente verkochten mijn huis voor me, slaagden erin een ander stuk grond te kopen en bouwden de eenheden voor me. Ik ging in een ervan wonen en had innerlijke vrede, wetend dat er voor mijn kinderen gezorgd zou worden.
Mijn familie was erg kwaad dat ik het huis verkocht had en spande een rechtszaak tegen me aan. Opnieuw kwamen de broeders mij te hulp en behartigden de zaak voor me. Wij wonnen het geding. Hoewel ik me nu veel zwakker voel, houden Jehovah’s liefdevolle organisatie en de Koninkrijkshoop me op de been. Wegens mijn toestand ben ik nu in een ziekenhuis opgenomen. Nog steeds heb ik mijn geestelijke zusters aan mijn zijde, die mij dag en nacht verzorgen, daar het ziekenhuis niet in voldoende voedsel en beddegoed kan voorzien.”
Na zes maanden in het ziekenhuis gelegen te hebben, werd Joyce naar huis gestuurd. Twee dagen later stierf zij. Haar vijf kinderen worden nu verzorgd door een pionierster in de gemeente die ook drie kinderen van zichzelf heeft.
De oplossing
In Oeganda, waar aids reeds pandemisch is, verklaarde president Yoweri Kaguta Museveni: „Ik geloof dat de beste reactie op de bedreiging die aids en andere seksueel overdraagbare aandoeningen vormen is, ons opnieuw publiekelijk en onomwonden uit te spreken voor de eerbied, het respect en de verantwoordelijkheid die iedereen zijn of haar naaste verschuldigd is.” Om kort te gaan, het is nodig terug te keren tot de monogame moraal binnen de huwelijksregeling. Iedereen is het ermee eens dat dit de enige manier is om veilig te zijn en de enige manier waarop aids bestreden kan worden. Er zijn echter maar weinig mensen die geloven dat een dergelijke morele norm haalbaar is.
Jehovah’s Getuigen behoren tot degenen die niet alleen geloven dat een dergelijke moraal mogelijk is maar die zich er ook aan houden. Verder geloven zij net als Joyce in Gods belofte van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin rechtvaardigheid zal wonen (2 Petrus 3:13). In een wereld die van alle goddeloosheid gezuiverd is, zal Jehovah God dan de in Openbaring 21:4 opgetekende belofte vervullen: „Hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.”
[Illustratie op blz. 10]
Een vader brengt zijn aan aids gestorven zoon naar de begraafplaats
[Verantwoording]
WHO/E. Hooper