Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g94 22/7 blz. 7-11
  • Manieren terzijde geschoven door de „nieuwe moraal”?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Manieren terzijde geschoven door de „nieuwe moraal”?
  • Ontwaakt! 1994
  • Vergelijkbare artikelen
  • Christelijke manieren aan de dag leggen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Christelijke manieren aankweken in een ongemanierde wereld
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
  • ’Gedraag u op een wijze die het goede nieuws waardig is’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
  • Waarom zou ik goede manieren moeten hebben?
    Ontwaakt! 1985
Meer weergeven
Ontwaakt! 1994
g94 22/7 blz. 7-11

Manieren terzijde geschoven door de „nieuwe moraal”?

’Wee hun die zeggen dat slecht goed is, dat duisternis licht is en het bittere zoet.’ — Jesaja 5:20.

IN DE twintigste eeuw hebben zich verstrekkende veranderingen in de manieren en de moraal voltrokken. In de decennia die op de twee wereldoorlogen zijn gevolgd, is men de oude waardenstelsels geleidelijk als ouderwets gaan beschouwen. Veranderende omstandigheden en nieuwe theorieën op het gebied van menselijk gedrag en wetenschap hebben velen ervan overtuigd dat de oude waarden niet langer golden. Manieren waaraan men eens hechtte, werden als overtollige bagage afgedankt. Eens gerespecteerde bijbelse richtsnoeren werden als uit de tijd terzijde geschoven. Ze waren veel te beperkend voor de twintigste-eeuwse vrije, zich niet aan de regels storende samenleving van ultramoderne individuen.

Het jaar waarin dit keerpunt in de menselijke geschiedenis zich voordeed, was 1914. De werken van historici over dat jaar en de Eerste Wereldoorlog staan vol opmerkingen waarmee zij 1914 bestempelen als een jaar van gewichtige veranderingen, een ware mijlpaal die twee tijdvakken in de menselijke geschiedenis scheidde. Onmiddellijk op de oorlog volgden de „roaring twenties”, waarin men probeerde het in die oorlogsjaren gemiste plezier in te halen. Oude waarden en lastige morele beperkingen werden terzijde geschoven om de weg vrij te maken voor ongebreidelde genotzucht. Een nieuwe moraal, waarbij men zich naar hartelust te buiten ging aan zinnelijke genoegens, deed informeel haar intrede — in wezen een „alles mag”-benadering. De nieuwe zedenwet ging onvermijdelijk vergezeld van een verandering in de manieren.

De historicus Frederick Lewis Allen merkt daarover op: „Nog een gevolg van de revolutie was, dat de manieren niet alleen anders werden maar — enkele jaren lang — ongemanierd. . . . In dat decennium . . . moesten gastvrouwen constateren dat hun gasten niet de moeite namen bij hun komst of vertrek het woord tot hen te richten; dat ongenodigd op bals verschijnen een geaccepteerde gewoonte werd, dat mensen ’deftig te laat’ kwamen bij diners, brandende sigaretten lieten slingeren, de as op het vloerkleed deponeerden, zonder zich te verontschuldigen. De oude barrières waren geslecht, er waren nog geen nieuwe opgericht: het hek was van de dam. Op een dag zullen de tien jaar die op de oorlog volgden, misschien met recht bekend komen te staan als het Slechte manieren-decennium. . . . Het decennium mocht dan ongemanierd zijn, het was ook ongelukkig. Met de oude ordening was een stel waarden verdwenen dat het leven rijk en zinvol had gemaakt, en vervangende waarden lagen niet voor het oprapen.”

Vervangende waarden die het leven zijn rijkdom en zin teruggaven, werden nooit gevonden. Er werd niet naar gezocht. De opwindende „alles mag”-manier van leven van de „roaring twenties” bevrijdde mensen van hun morele remmingen, en dat beviel hun wel. Zij schoven de moraal niet terzijde; zij herzagen de moraal alleen, maakten ze wat losser. Na verloop van tijd spraken zij van de nieuwe moraal. Daarin doet iedereen wat recht is in zijn eigen ogen. Hij is nummer één. Hij doet wat hij wil. Hij zoekt zijn eigen weg.

Dat denkt hij althans. In werkelijkheid zei de wijze koning Salomo drieduizend jaar geleden: „Er is . . . niets nieuws onder de zon” (Prediker 1:9). Al eerder, in de tijd van de rechters, hadden de Israëlieten heel wat speelruimte wat het al dan niet gehoorzamen van Gods Wet betreft: „In die dagen was er geen koning in Israël. Een ieder placht te doen wat recht was in zijn eigen ogen” (Rechters 21:25). Maar de meerderheid bleek niet bereid zich aan de Wet te houden. Door op die manier te zaaien, oogstte Israël honderden jaren van nationale rampen. Zo ook hebben naties nu eeuwen van leed en lijden geoogst — en het ergste moet nog komen.

Er is een andere term die de nieuwe moraal specifieker identificeert, namelijk „relativisme”. Webster’s Ninth New Collegiate Dictionary definieert het als: „De opvatting dat ethische waarheden afhangen van de personen en groepen die ze toegedaan zijn.” De discipelen van het relativisme beweren, kort samengevat, dat al wat goed voor hen is, voor hen ethisch verantwoord is. Een schrijver weidde over het relativisme uit met de woorden: „Het relativisme, dat al lang onder de oppervlakte op de loer lag, dook op als de gangbare filosofie van het ’ik-decennium’ van de jaren ’70; het heerst nog in het yuppieïsme van de jaren ’80. Misschien bewijzen wij nog lippendienst aan traditionele waarden, maar in de praktijk is al wat goed voor me is, het juiste.”

En dat geldt ook voor de manieren — ’Als het me aanstaat, zal ik het doen; zo niet, dan doe ik het niet. Het zou niet juist zijn als ik het deed, ook al zou het gemanierder tegenover jou zijn. Het zou mijn radicale individualisme aantasten, mij zwak doen lijken, een doetje van me maken.’ Blijkbaar geldt dit bij zulke mensen niet alleen voor lompheden, maar ook voor eenvoudige, dagelijkse vriendelijkheden als ’Alstublieft, Het spijt me, Neem me niet kwalijk, Dank u, Ik zal de deur even voor u openhouden, Mag ik u mijn plaats aanbieden? en Laat mij dat voor u dragen’. Deze en andere zinnetjes zijn als zachte smeeroliën die onze intermenselijke relaties soepel en aangenaam maken. ’Maar als ik goedgemanierd zou zijn tegenover anderen,’ zou de typische „ik eerst”-figuur tegenwerpen, ’zou dat het mij moeilijker maken te leven volgens de stelregel dat ik nummer één ben en dat ook uit te stralen.’

De socioloog James Q. Wilson schrijft de grotere wrijving en het toegenomen crimineel gedrag toe aan de ineenstorting van wat nu „minachtend wordt aangeduid als ’kleinburgerlijke waarden’”, en het verslag vervolgt: „De teloorgang van deze waarden — en de groei van het moreel relativisme — blijkt samen te gaan met een hoger misdaadcijfer.” Die teloorgang gaat zeker samen met de moderne tendens elke beperking op zelfexpressie af te wijzen, hoe ongemanierd of aanstootgevend die ook mag zijn. Het is zoals een andere socioloog, Jared Taylor, zei: „Onze samenleving is langzaam maar zeker van zelfbeheersing op zelfexpressie overgegaan en veel mensen doen ouderwetse waarden af als onderdrukkend.”

Het toepassen van het relativisme maakt u tot rechter over uw persoonlijke gedrag, met terzijdeschuiving van het oordeel van ieder ander, ook dat van God. U beslist zelf wat goed en wat kwaad voor u is, net als het eerste mensenpaar in Eden dat deed toen zij Gods gebod verwierpen en zelf beslisten wat goed en wat kwaad was. De Slang maakte Eva wijs dat als zij God ongehoorzaam was en van de verboden vrucht at, er gebeuren zou wat hij tegen haar zei: ’Uw ogen zullen stellig geopend worden en gij zult stellig als God zijn, kennend goed en kwaad.’ Dus nam Eva van de vrucht en at ervan en gaf er daarop iets van aan Adam, en hij at ervan (Genesis 3:5, 6). Het besluit van Adam en Eva om ervan te eten, was rampzalig voor hen en hun nakomelingen.

Na een lang resumé van de corruptie bedreven door politici, zakenmensen, atleten, wetenschappers, een Nobelprijswinnaar en een predikant, zei een waarnemer in een toespraak voor de Harvard Business School: „Ik geloof dat wij in ons land thans meemaken wat ik een karaktercrisis zou willen noemen, een verlies van wat traditiegetrouw door de westerse beschaving werd gezien als die innerlijke remmingen en innerlijke deugden die ons ervan weerhouden aan onze lagere instincten toe te geven.” Hij sprak van „woorden die bijna vreemd zullen klinken wanneer ze in deze omgeving worden geuit, woorden als moed, eer, plicht, verantwoordelijkheid, mededogen, beschaving — woorden die bijna in onbruik zijn geraakt”.

In de jaren ’60 kregen bepaalde kwesties op universiteitscampussen een explosief karakter. Velen beweerden: ’Er is geen God, God is dood, er bestaat niets, er zijn geen transcendente waarden, het leven is volkomen zinloos, je kunt de nietigheid van het leven slechts overwinnen met heroïsch individualisme.’ De bloemenkinderen grepen dit aan en begonnen de nietigheid van het leven te overwinnen met het ’snuiven van coke, het roken van pot, het bedrijven van de liefde en het zoeken naar innerlijke vrede’. Die zij nooit hebben gevonden.

Dan waren er de protestbewegingen van de jaren ’60. Het waren meer dan bevliegingen; ze werden omarmd door de hoofdstroom van de Amerikaanse cultuur en vormden de inleiding tot het Ik-decennium van de jaren ’70. Zo belandden wij in een decennium dat Tom Wolfe, de maatschappijcriticus, „het decennium van het Ik” noemde. Dat ging over in de jaren ’80, door sommigen cynisch „het gouden tijdperk der hebzucht” genoemd.

Wat heeft dit alles met manieren te maken? Het draait om zichzelf op de eerste plaats stellen, en als iemand zichzelf op de eerste plaats stelt, valt het hem niet mee anderen voorrang te verlenen, kan hij anderen niet op de eerste plaats laten komen, kan hij niet welgemanierd tegenover anderen zijn. Door zichzelf de eerste plaats toe te kennen, kan hij zich in feite te buiten gaan aan een vorm van zelfverering, een aanbidding van Ik. Hoe beschrijft de bijbel iemand die dat doet? Als een „hebzuchtige — hetgeen wil zeggen een afgodendienaar te zijn”, als blijk gevend van „begerigheid, welke afgoderij is” (Efeziërs 5:5; Kolossenzen 3:5). Wie dienen zulke mensen in feite? „Hun god is hun buik” (Filippenzen 3:19). De smerige alternatieve levensstijlen waarvoor veel mensen hebben gekozen als moreel juist voor hen en de rampzalige, dodelijke gevolgen van die levensstijlen bewijzen slechts hoe waar Jeremia 10:23 is: „Ik weet heel goed, o Jehovah, dat het niet aan de aardse mens is zijn weg te bepalen. Het staat niet aan een man die wandelt, zelfs maar zijn schrede te richten.”

De bijbel heeft dit alles voorzien en het voorspeld als een waarschuwend kenmerk van „de laatste dagen”, opgetekend in 2 Timotheüs 3:1-5 (Groot Nieuws Bijbel): „Onthoud het volgende goed: wanneer de laatste dagen van deze wereld aanbreken, komen er zware tijden. De mensen zullen egoïstisch zijn en op geld belust, verwaand en hoogmoedig, anderen beledigen en hun ouders de gehoorzaamheid weigeren; ze zullen ondankbaar zijn, niets heilig achten, geen gevoel tonen en onvermurwbaar zijn, kwaad spreken, zichzelf niet beheersen en wreed en onmenselijk zijn tegenover anderen; verraderlijk, roekeloos en opgeblazen, meer gehecht aan genot dan aan God; ze houden zich aan de uiterlijke vorm van onze godsdienst, maar ze verwerpen de kern ervan. Houd dergelijke lieden op een afstand.”

Wij zijn ver afgedreven van wat bij onze schepping werd beoogd — dat wij naar het beeld en de gelijkenis van God zouden zijn. De eigenschappen liefde, wijsheid, rechtvaardigheid en macht zijn nog potentieel in ons aanwezig, maar zijn uit hun evenwicht en verwrongen geraakt. De eerste stap op de weg terug wordt onthuld in de laatste zin van de bovengeciteerde bijbeltekst: „Houd dergelijke lieden op een afstand.” Ga op zoek naar een andere omgeving, een omgeving die zelfs uw innerlijke gevoelens zal veranderen. Leerzaam in dat verband zijn de wijze woorden die Dorothy Thompson jaren geleden in The Ladies’ Home Journal schreef. Haar citaat begint met de verklaring dat het voor het overwinnen van jeugdcriminaliteit eerder nodig is de emoties van een kind te ontwikkelen dan zijn intellect:

„Zijn handelingen en opvattingen als kind bepalen grotendeels zijn handelingen en opvattingen als volwassene. Die worden echter niet door zijn hersenen ingegeven, maar door zijn gevoelens. Hij ontwikkelt zich tot dat wat hem wordt aanbevolen en bijgebracht lief te hebben, te bewonderen, te vereren en te koesteren en waarvoor hij heeft geleerd offers te brengen. . . . Bij dit alles spelen manieren een belangrijke rol, want goede manieren zijn niets meer of minder dan tonen dat men rekening houdt met anderen. . . . Innerlijke gevoelens worden weerspiegeld in uiterlijk gedrag, maar uiterlijk gedrag draagt eveneens bij tot het aankweken van innerlijke gevoelens. Het is moeilijk zich agressief te voelen als men met consideratie te werk gaat. Goede manieren zitten in het begin misschien slechts aan de oppervlakte, maar daar blijven ze zelden.”

Zij merkte ook op dat, enkele uitzonderingen daargelaten, goedheid en slechtheid „niet worden bepaald door het verstand maar door de emoties” en dat „misdadigers dat niet worden door verharding van de slagaders maar door verharding van het hart”. Zij beklemtoonde dat ons gedrag vaker door emotie dan door het verstand wordt bepaald en dat de manier waarop wij worden opgevoed, de manier waarop wij handelen, zij het in het begin gedwongen, van invloed is op onze innerlijke gevoelens en ons hart verandert.

De bijbel echter overtreft alles met het geven van de geïnspireerde formule voor het veranderen van de innerlijke persoon van het hart.

Allereerst in Efeziërs 4:22-24: ’Gij moet de oude persoonlijkheid, die met uw vroegere levenswandel overeenkomt en die naar haar bedrieglijke begeerten wordt verdorven, wegdoen en nieuw worden gemaakt in de kracht die uw denken aandrijft, en gij dient de nieuwe persoonlijkheid aan te doen, die naar Gods wil werd geschapen in ware rechtvaardigheid en loyaliteit.’

Vervolgens in Kolossenzen 3:9, 10, 12-14: „Legt de oude persoonlijkheid met haar praktijken af en bekleedt u met de nieuwe persoonlijkheid, die door middel van nauwkeurige kennis wordt vernieuwd naar het beeld van Degene die ze schiep. Bekleedt u dan als Gods uitverkorenen, heilig en bemind, met de tedere genegenheden van mededogen, goedheid, ootmoedigheid des geestes, zachtaardigheid en lankmoedigheid. Blijft elkaar verdragen en elkaar vrijelijk vergeven als de een tegen de ander een reden tot klagen heeft. Zoals Jehovah u vrijelijk vergeven heeft, doet ook gij evenzo. Bekleedt u bij al deze dingen echter met liefde, want ze is een volmaakte band van eenheid.”

De historicus Will Durant zei: „De belangrijkste kwestie van onze tijd is niet communisme contra individualisme, niet Europa contra Amerika, zelfs niet het Oosten contra het Westen, maar of mensen zonder God kunnen leven.”

Willen wij een geslaagd leven leiden, dan moeten wij acht slaan op zijn raad. „Mijn zoon, vergeet niet mijn wet, en moge uw hart mijn geboden in acht nemen, want lengte van dagen en jaren van leven en vrede zullen u worden toegevoegd. Liefderijke goedheid en waarachtigheid, mogen die u niet verlaten. Bind ze om uw hals. Schrijf ze op de tafel van uw hart, en vind zo gunst en goed inzicht in de ogen van God en van de aardse mens. Vertrouw op Jehovah met heel uw hart en steun niet op uw eigen verstand. Sla in al uw wegen acht op hem, en híj zal uw paden recht maken.” — Spreuken 3:1-6.

De vriendelijke en wellevende goede manieren die geleerd zijn in eeuwen van menselijke samenleving, zijn toch geen overtollige bagage en de bijbelse richtsnoeren voor het leven zijn helemaal niet uit de tijd maar zullen tot eeuwige redding van de mensheid blijken te zijn. Zonder Jehovah kan de mens niet blijven leven, want ’bij Jehovah is de bron van het leven’. — Psalm 36:9.

[Inzet op blz. 11]

De manier waarop wij handelen, zij het in het begin gedwongen, is van invloed op onze innerlijke gevoelens en verandert ons hart

[Kader op blz. 10]

Onberispelijke tafelmanieren waaraan mensen een voorbeeld kunnen nemen

Cederpestvogels, prachtig, goedgemanierd, zeer op gezelligheid gesteld, samen smullend in een grote struik vol rijpe bessen. In een rij langs een tak geschaard voeden zij zich met de vruchten, maar beslist niet gulzig. Een bes gaat enkele malen over en weer, van snavel tot snavel, en wordt ten slotte door een van hen hoffelijk opgegeten. Nooit vergeten ze hun „kinderen”; onvermoeibaar dragen ze voedsel aan, bes voor bes, totdat alle lege snavels gevuld zijn.

[Verantwoording]

H. Armstrong Roberts

[Illustratie op blz. 8]

Sommigen zeggen: ’Weg met de bijbel en morele waarden’

[Illustratie op blz. 9]

„God is dood.”

„Het leven is zinloos!”

„Rook pot, snuif coke”

[Illustratieverantwoording op blz. 7]

Links: Life; rechts: Grandville

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen