Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g94 22/3 blz. 12-15
  • Het helpen van mensen met aids

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het helpen van mensen met aids
  • Ontwaakt! 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gods liefde voor zieken en gehandicapten
  • Wie lopen het aidsvirus op?
  • Wat er nu over bekend is
  • Hoe gaat u reageren?
  • Aidspatiënten kunnen ook hun steentje bijdragen
  • Wie lopen gevaar?
    Ontwaakt! 1986
  • AIDS — Wat ouders en kinderen moeten weten
    Ontwaakt! 1991
  • Hoe heeft AIDS zich zo kunnen verbreiden?
    Ontwaakt! 1988
  • AIDS — Een crisis voor tieners
    Ontwaakt! 1991
Meer weergeven
Ontwaakt! 1994
g94 22/3 blz. 12-15

Het helpen van mensen met aids

„MET aids geconfronteerde predikant vindt deuren gesloten”, was de titel van een artikel in The New York Times. In de krant stond het verhaal van een baptistische predikant wiens vrouw en twee kinderen met het aidsvirus besmet waren geraakt door een haar in 1982 toegediende bloedtransfusie (de kinderen werden besmet toen zij van hen in verwachting was). Wegens de ziekte waren hij en zijn gezin daarop niet meer welkom in verscheidene baptistenkerken. Gedesillusioneerd gaf hij zijn pogingen op en zei zijn ambt als baptistisch predikant vaarwel.

De frustratie van deze man over het tekortschieten van zijn kerk roept verscheidene vragen op: Geeft God om zieken, ook om mensen die aids hebben? Hoe kunnen zij geholpen worden? Welke voorzorgsmaatregelen moeten er genomen worden bij het verschaffen van christelijke troost aan lijders aan aids?

Gods liefde voor zieken en gehandicapten

De bijbel laat zien dat de Almachtige God van innig medeleven met hen die lijden blijk geeft. Toen Jezus op aarde was, spreidde hij ook intens medelijden met de zieken tentoon. En God gaf hem de macht om mensen van al hun kwalen te genezen, zoals de bijbel verhaalt: „Toen kwamen er grote scharen naar hem toe, die kreupelen, verminkten, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden, en zij wierpen hen gewoonweg aan zijn voeten, en hij genas hen.” — Mattheüs 15:30.

Uiteraard heeft God thans niemand op aarde het vermogen gegeven om mensen langs bovennatuurlijke weg te genezen zoals Jezus dat deed. Maar uit bijbelprofetieën blijkt dat weldra, in Gods nieuwe wereld, „geen inwoner zal zeggen: ’Ik ben ziek’” (Jesaja 33:24). De bijbel belooft: „[God] zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn” (Openbaring 21:4). In zijn grote liefde voor mensen heeft God in een blijvende remedie voor alle kwalen voorzien, ook voor aids.

In Psalm 22:24 wordt over God gezegd: „Hij heeft niet veracht noch verafschuwd de ellende van de ellendige; en hij heeft zijn aangezicht niet voor hem verborgen, en wanneer hij tot hem om hulp schreeuwde, hoorde hij.” Gods liefde is beschikbaar voor degenen die in oprechtheid een beroep op hem doen hen te helpen.

Wie lopen het aidsvirus op?

Aids is een ziekte die voornamelijk te wijten is aan iemands manier van leven. Veel mensen die ermee besmet zijn, zijn het achteraf eens met Psalm 107:17, waar staat: „Zij die dwaas waren, wegens de weg van hun overtreding en wegens hun dwalingen, hebben ten slotte zichzelf ellende berokkend.”

Als iemand de bijbelse maatstaven laat varen en seksuele contacten heeft buiten Gods huwelijksregeling, wordt de kans aids op te lopen of anderen te besmetten heel reëel. Ook wanneer mensen bij drugsgebruik spuiten met elkaars gebruikte naalden kunnen zij aids krijgen en het virus op anderen overdragen. Daarnaast hebben velen aids gekregen door transfusies met bloed van besmette donors.

Het tragische is echter dat ontstellende aantallen onschuldigen besmet worden met het aidsvirus, en dat op verschillende manieren. Zo lopen veel trouwe huwelijkspartners, buiten hun schuld, aids op door seksueel contact met hun besmette partner. Ook loopt, vooral in sommige gebieden, een alarmerend percentage baby’s het aidsvirus op van besmette moeders, wat de pasgeboren baby met aids tot een van de meest tragische slachtoffers maakt. Daarnaast hebben artsen, medisch personeel en anderen de ziekte gekregen door ongelukjes bij het hanteren van besmet bloed.

Ongeacht op welke manier iemand aids oploopt, de Schrift is er duidelijk over dat God niet verantwoordelijk is voor het overdragen van deze dodelijke ziekte. Hoewel het nu zo is dat de meeste aidspatiënten zichzelf de ziekte op de hals hebben gehaald en anderen hebben besmet door gedrag dat niet te rijmen valt met bijbelse maatstaven, zien wij verandering komen in de percentages, die grotere aantallen onschuldige slachtoffers te zien geven, zoals baby’s en onschuldige huwelijkspartners.

De Wereldgezondheidsorganisatie verklaart dat er nu overal ter wereld ongeveer net zo vaak vrouwen met het aidsvirus worden besmet als mannen en dat tegen het jaar 2000 de meeste nieuwe infecties zich bij vrouwen zullen voordoen. Gezondheidswerkers in Afrika zeggen dat daar in tachtig procent van de aidsgevallen het virus „wordt overgebracht door heteroseksuele seks en in bijna alle andere gevallen van moeder op kind tijdens de zwangerschap of bij de geboorte”.

Hoewel God tegen elke overtreding van zijn wetten is, ook tegen overtredingen die zulk lijden tot gevolg hebben, strekt hij wel snel zijn barmhartige hand uit naar iedereen die door dit lijden getroffen wordt. Zelfs degenen die aids hebben opgelopen door verwerpelijke daden kunnen voordeel trekken van Gods barmhartigheid door berouw te hebben en op te houden met hun slechte daden. — Jesaja 1:18; 1 Korinthiërs 6:9-11.

Wat er nu over bekend is

Aids is een mondiaal gezondheidsprobleem. Hoewel wetenschappers mensen de verzekering geven dat „HIV geen gemakkelijk overdraagbaar virus is”, is dat een schrale troost voor de miljoenen die het al hebben en de talloze miljoenen die het in de komende jaren zullen krijgen. De feiten tonen aan dat het zich overal op aarde verbreidt.

Een autoriteit op dit gebied vat de gebruikelijke manieren waarop het virus wordt overgedragen als volgt samen: „Nagenoeg alle HIV-infecties worden overgedragen door seksueel contact of door blootstelling aan besmet bloed.” De conclusies van de meesten in de medische wereld komen neer op deze verklaring in een rapport: „Wil er besmetting optreden, dan moet er lichaamsvocht (bijna altijd bloed of zaad) van iemand die besmet is, terechtkomen in het lichaam van iemand die niet besmet is.”

De zinsneden „nagenoeg alle” en „bijna altijd” bevestigen echter de mogelijkheid van uitzonderingen. Hoewel verreweg de meeste mechanismen voor het overbrengen van aids nu dus bekend zijn in de medische wereld, kan in een zeer klein percentage van de gevallen het mechanisme voor het oplopen van het virus onbekend zijn. Er kan derhalve nog steeds reden tot voorzichtigheid zijn.

Hoe gaat u reageren?

Wereldwijd zijn er reeds zo’n twaalf tot veertien miljoen mensen met het aidsvirus besmet. En volgens schattingen zullen dat er bij de eeuwwisseling vele miljoenen meer zijn. U hebt dus vermoedelijk al in het gezelschap verkeerd van mensen met deze ziekte of het kan u binnenkort overkomen. In elke grote stad bijvoorbeeld doet een terloops contact met zulke mensen zich dagelijks voor op het werk, in restaurants en theaters, bij sportevenementen, in de bus, de ondergrondse, het vliegtuig en de trein en bij andere publieke ontmoetingen.

Christenen zullen dus misschien steeds vaker aidspatiënten ontmoeten — en graag willen helpen — die de bijbel wensen te bestuderen, christelijke vergaderingen willen bijwonen en vorderingen willen maken om zich ten slotte aan God op te dragen. Hoe moeten christenen reageren op deze behoeften van de aidsslachtoffers? Zijn er voorzorgsmaatregelen die praktisch zouden zijn voor de patiënt en voor de leden van de christelijke gemeente?

Op het ogenblik is men het er algemeen over eens dat aids niet door terloops contact wordt overgebracht. Het lijkt dus redelijk dat men niet onnodig bang hoeft te zijn in het gezelschap van mensen met aids. En daar aidspatiënten een drastisch verzwakt immuunsysteem hebben, moeten wij oppassen dat zij geen gewone virusinfecties oplopen waarvan wij drager zouden kunnen zijn. De schade die hun lichaam van zulke gewone ziekten ondervindt, kan groot zijn.

Wegens de levensbedreigende aard van aids is het verstandig enkele redelijke voorzorgsmaatregelen in gedachte te houden wanneer wij een aidspatiënt bij ons persoonlijk of in de christelijke gemeente verwelkomen. Hoewel er geen algemene bekendmaking gedaan dient te worden, is het goed eerst een van de ouderlingen in de gemeente van de situatie in kennis te stellen, opdat hij erop voorbereid is vriendelijk en adequaat te reageren mocht iemand bij hem om informatie komen.

Omdat het virus overgedragen kan worden door het bloed van iemand die besmet is, kan het redelijk zijn dat gemeenten de algemeen gangbare voorzorgsmaatregelen in acht nemen bij het schoonmaken van toiletten en het opnemen van ongerechtigheden, vooral als er ook sprake is van bloedvlekken. In de medische wereld hanteert men een reeks richtlijnen waarbij al het bloed van ongeacht wie als besmet en potentieel gevaarlijk wordt beschouwd en waarmee daarom op een bepaalde manier wordt omgegaan. Omdat de Koninkrijkszaal een vrij toegankelijke gelegenheid is, zou het verstandig kunnen zijn schoonmaakmiddelen en een doos latex of vinyl handschoenen bij de hand te hebben voor het geval zich een ongeluk voordoet en er iets schoongemaakt moet worden. Een chlooroplossing van 10% of alcohol 70% wordt over het algemeen aanbevolen voor het opnemen van gemorst bloed.

Bij al onze contacten met anderen, aidspatiënten inbegrepen, krijgen christenen de raad het voorbeeld van Jezus te volgen. Het mededogen dat hij had met personen die ziek of gehandicapt waren en niettemin de oprechte wens koesterden God te behagen, is het waard door ons nagevolgd te worden. (Vergelijk Mattheüs 9:35-38; Markus 1:40, 41.) Daar er op het moment geen geneesmiddel voor aids is, is het echter gepast dat een christen redelijke voorzorgsmaatregelen neemt bij het verschaffen van welwillende hulp aan mensen die eraan lijden. — Spreuken 14:15.

Aidspatiënten kunnen ook hun steentje bijdragen

De verstandige aidspatiënt beseft dat anderen huiverig tegenover deze ziekte staan. Daarom zou het uit respect voor de gevoelens van degenen die willen helpen beter zijn, als de aidspatiënt niet het initiatief neemt tot publieke uitingen van genegenheid zoals omhelzen en kussen. Al bestaat er dan weinig of geen kans dat zulke gestes de ziekte zouden overdragen, deze terughoudendheid zal duidelijk maken dat de patiënt attent is tegenover anderen, waardoor anderen op hun beurt attent zullen zijn tegenover de patiënt.a

In het besef dat velen bang zijn voor iets wat zij niet kennen, mag iemand die aids heeft niet snel aanstoot nemen als hij of zij niet onmiddellijk bij broeders en zusters thuis wordt uitgenodigd of als het lijkt dat een ouder een kind ervan weerhoudt nauw contact met hem of haar te hebben. En als een van de gemeenteboekstudies in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen wordt gehouden, kan het voor iemand met aids verstandig zijn ervoor te kiezen die bij te wonen in plaats van een studie in een privé-woning, tenzij hij of zij de situatie met de huisbewoner heeft besproken.

Aidsdragers moeten ook van voorzichtige zorgzaamheid tegenover anderen blijk geven wanneer zij bijvoorbeeld een actieve produktieve hoest hebben en bekend is dat zij tuberculose hebben. Dan zou het goed zijn als zij de plaatselijke gezondheidsrichtlijnen in verband met die ziekte in acht namen ten aanzien van isoleerprocedures.

Een andere situatie waarbij een onschuldige besmet zou kunnen raken, is trouwen met iemand die zonder het te weten drager is van het aidsvirus. Voorzichtigheid is in zulke omstandigheden vooral geboden als de toekomstige huwelijkspartners, of een van hen, voordat zij tot een nauwkeurige kennis van Gods Woord kwamen, promiscue waren of bij drugsgebruik spoten. Daar een groeiend aantal mensen een asymptomatische HIV-infectie heeft (wat wil zeggen dat er nog geen uiterlijke symptomen zijn), zou het niet onjuist zijn als de toekomstige huwelijkspartner vóór de verloving of het huwelijk door de ander of door bezorgde ouders gevraagd werd, zich op aids te laten testen. Wegens de rampzalige, fatale aard van deze ziekte mag een potentiële huwelijkspartner er geen aanstoot aan nemen als dat verzoek wordt gedaan.

Blijkt de test positief te zijn, dan zou het niet gepast zijn als de besmette partij de partner in spe zou proberen te dwingen de verkering of verloving voort te zetten indien de toekomstige partner de relatie nu wenst te beëindigen. En het zou voor iedereen die voorheen een riskant leven leidde, meerdere seksuele partners had of drugs spoot, verstandig zijn vrijwillig te besluiten zich te laten testen alvorens iemand het hof te maken. Op die manier zouden gekwetste gevoelens voorkomen kunnen worden.

Als christenen willen wij dus meedogend zijn en mensen die aids hebben niet mijden, daarbij echter wel beseffend dat de individuele opvattingen over dit gevoelige onderwerp uiteen kunnen lopen (Galaten 6:5). In het geval van een ziekte als aids weten wij niet alles, dus er kan bij velen enige aarzeling bestaan over de aanpak van bepaalde situaties. Een evenwichtige kijk op de zaak zou zijn, aidspatiënten in de christelijke gemeente te blijven verwelkomen en hen liefdevol en hartelijk te bejegenen, maar tegelijkertijd redelijke voorzorgsmaatregelen te nemen om onszelf en ons gezin tegen de ziekte te beschermen.

[Voetnoot]

a Wat moet iemand die weet dat hij of zij aids heeft doen als hij of zij een van Jehovah’s Getuigen wil worden en zich wil laten dopen? Uit respect voor de gevoelens van anderen kan het verstandig zijn als zij vragen om een privé-doop, hoewel er geen aanwijzingen zijn dat aids is overgedragen in zwembaden. Ofschoon veel eerste-eeuwse christenen op grote openbare bijeenkomsten werden gedoopt, werden anderen wegens uiteenlopende omstandigheden in meer besloten kring gedoopt (Handelingen 2:38-41; 8:34-38; 9:17, 18). Een ander alternatief zou zijn dat de doopkandidaat met aids als laatste wordt gedoopt.

[Kader op blz. 13]

Wat had ik met haar te doen!

Toen ik op een dag op straat predikte, stapte ik op een jonge vrouw van een jaar of twintig af. Haar grote bruine ogen stonden zo verdrietig. In een poging een gesprek over Gods koninkrijk te beginnen, bood ik haar een van de traktaten die ik in mijn hand had aan. Zonder te aarzelen koos zij voor Troost voor de neerslachtigen. Zij keek naar het traktaat en toen naar mij en zei vlak: „Mijn zus is net aan aids gestorven.” Voordat ik klaar was met het betuigen van mijn medeleven zei ze: „Ik ga ook dood aan aids en ik heb twee kleine kinderen.”

Wat had ik met haar te doen! Ik las haar uit de bijbel voor over de toekomst die God de mensheid beloofd heeft. Zij gooide eruit: „Ik heb me nog nooit iets van God aangetrokken, waarom zou hij zich dan nu iets van mij aantrekken?” Ik vertelde haar dat zij door een bijbelstudie zou gaan begrijpen dat God iedereen welkom heet die oprecht berouw heeft en vertrouwen gaat stellen in hem en in het loskoopoffer van zijn Zoon. Daarop reageerde zij: „Ik weet wel wie u bent. U bent uit de Koninkrijkszaal verderop in de straat — maar zou iemand als ik welkom zijn in jullie Koninkrijkszaal?” Ik verzekerde haar dat dat zo was.

Toen zij ten slotte haar weg vervolgde, met het boek De bijbel — Gods woord of dat van mensen? en haar traktaat stevig in haar hand, dacht ik: ’Ik hoop dat ze de troost vindt die alleen God kan geven.’

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen