Kiest God partij in sportwedstrijden?
EEN zegevierend hardloopster knielt en gebaart devoot, God dankend voor haar prestatie. Toch mogen wij aannemen dat enkele van de andere hardloopsters in de wedstrijd ook tot God gebeden hebben om de overwinning — en zij verloren.
Twee boksers knielen in tegenover elkaar gelegen hoeken van een boksring neer voordat de eerste ronde van hun partij begint. Beiden slaan een kruis als een stil gebed tot God om succes. Dan slaat de een de ander knock-out. Bij andere wedstrijden kan het zijn dat maar één bokser God om de overwinning smeekt; toch zal hij misschien net zo vaak verliezen als winnen.
Bij teamsporten bidden groepen spelers soms voor, tijdens of zelfs na een wedstrijd. Zo ging in de laatste seconden van een wedstrijd Amerikaans football om de Super Bowl een kicker klaarstaan voor de cruciale fieldgoal waarmee de wedstrijd voor zijn team gewonnen zou worden, of verloren als hij miste. De kicker zei later: „Ik ben in gebed gegaan.” Maar enkelen van de tegenpartij gingen ook in gebed — zij baden om het tegenovergestelde resultaat.
Beide partijen kunnen dan wel bidden, maar er moet één partij verliezen. Zelfs een winnend team waarvan de spelers om de overwinning hebben gebeden, kan de volgende wedstrijd verliezen. Uiteindelijk moeten aan het eind van het seizoen alle andere teams verliezen, want er kan maar één kampioen zijn in een divisie. Toch hadden de meeste van die verliezende teams spelers die om de overwinning hadden gebeden.
In een artikel getiteld „Bespaar je alsjeblieft die gebeden”, schreef een sportcolumnist: „Dat je zo staat op te scheppen hoe goed je er wel bij God voor staat, wil nog niet zeggen dat het waar is. . . . In de Tweede Wereldoorlog stond in de koppelgesp van Duitse soldaten een zinnetje gegrift: Gott mit uns. Vertaald: ’God is met ons.’” Een andere sportjournalist merkte op: „God kiest geen partij in football-wedstrijden. Dergelijke wereldse zaken worden door mannen en vrouwen beslist, niet door de Almachtige.”
De apostel Petrus zei: „God [is] niet partijdig . . ., maar in elke natie is de mens die hem vreest en rechtvaardigheid beoefent, aanvaardbaar voor hem.” Meedoen aan sporten waarbij het gewelddadig toegaat, is geen kwestie van ’rechtvaardigheid beoefenen’ (Handelingen 10:34, 35; Romeinen 14:19). Indien God de gebeden van degenen die om de overwinning vroegen inderdaad zou verhoren en er werd een tegenstander verwond of zelfs gedood, zou God daar dan schuldig aan zijn?
Gods Woord zegt: „Ongeacht wat wij vragen overeenkomstig zijn wil, hij [hoort] ons” (1 Johannes 5:14). Willen iemands gebeden verhoord worden, dan moet hij Gods wil en voornemens kennen en moeten zijn daden daarmee in overeenstemming zijn. — Vergelijk Mattheüs 6:9, 10.
Nee, Gods wil en voornemens hebben niets met sportevenementen uit te staan. Luistert God dus wanneer daarbij gebeden om de overwinning worden opgezonden? Stellig niet.
[Illustratieverantwoording op blz. 31]
UPI/Bettmann