Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g94 8/1 blz. 14-17
  • Het land dat nooit smelt

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het land dat nooit smelt
  • Ontwaakt! 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Onze reis naar Baffineiland
  • Uit de droom geholpen
  • De nacht die nooit kwam
  • Zouden wij welkom zijn bij de Inuit?
  • Zij wonen boven de poolcirkel — en vinden het prettig!
    Ontwaakt! 1981
  • De grote ijsbeer van het Noordpoolgebied
    Ontwaakt! 1984
  • De noordwestelijke doorvaart — Wordt een droom werkelijkheid?
    Ontwaakt! 2003
  • Een spectaculaire reis over de „snelweg”
    Ontwaakt! 2003
Meer weergeven
Ontwaakt! 1994
g94 8/1 blz. 14-17

Het land dat nooit smelt

HET hoge noorden heeft mij altijd gefascineerd. Zelfs als opgroeiend jongetje in Gold Beach (Oregon, VS) zat ik altijd al met mijn neus boven kaarten van Canada en droomde ervan dat ik op een dag plaatsen zou gaan verkennen met exotisch klinkende namen zoals Great Slave Lake en Great Bear Lake. En dus begonnen mijn vriend Wayne en ik op een dag in 1987 plannen te maken voor een bezoek aan Auyuittuq National Park, het eerste nationale park van Canada ten noorden van de poolcirkel.

Auyuittuq, in de taal van de Inuit, betekent „Het land dat nooit smelt”, en het gebied werd tot park verklaard om een arctische wildernis met scherpgetande bergtoppen, diepe dalen, spectaculaire fjorden en het dierenleven aan de zeekust te bewaren. Tot het park behoort de Penny Ice Cap, een reusachtige sneeuw- en ijsmantel van 5700 vierkante kilometer die aan alle kanten door gletsjers wordt gedraineerd. Geen wonder dat Auyuittuq door de liefhebbers wordt aangeduid als het „Zwitserland van het noordpoolgebied”.

Baffineiland is met zijn lengte van zo’n 1600 kilometer het op vier na grootste eiland ter wereld. Toch had geen van onze vrienden er ooit van gehoord! Zij vroegen steeds: „Wanneer gaan jullie nu naar Alaska?” (Baffineiland ligt zo’n 3200 kilometer ten oosten van Alaska, maar op ongeveer dezelfde breedte.) Hoewel Jehovah’s Getuigen uit Canada een begin hebben gemaakt met het evangelisatiewerk op Baffineiland, wonen er geen Getuigen op het eiland. De dichtstbijzijnde gemeente bevindt zich zelfs 1000 kilometer ver weg, in Labrador City (Newfoundland).

Auyuittuq kent drie maanden zomer en negen maanden winter, en daarom besloten wij in augustus 1988 te gaan, na het breken van het oceaanijs en als de meeste stekende kriebelmuggen verdwenen zijn. Het is ook nog voordat de septembersneeuw begint te vallen.

Onze reis naar Baffineiland

Eindelijk was het zover. Wij vertrokken per auto van ons huis in North Carolina naar Montreal (Quebec) waar wij aan boord gingen van een Boeing 737 lijnvliegtuig. Na een uur in de lucht losten de wolken op zodat wij een helder uitzicht kregen op het Canadese Schild, een dor ogend rotsgebied met honderden meren in alle mogelijke vormen en afmetingen en zonder bomen van enige omvang. Na een kort oponthoud in Kuujjuaq (voorheen Fort-Chimo) ontwaarden wij sneeuw tot helemaal beneden aan de zee. Weldra vlogen wij over de Ungava Bay, die tot onze verrassing zover het oog reikte vol lag met ontelbare ijsbergen.

Na een vlucht van bijna drie uur landden wij in Iqaluit, wat „Visplaats” betekent. Iqaluit, dat vroeger Frobisher Bay heette, is het zenuwcentrum van Baffineiland en de grootste stad, met een bevolking van ongeveer 3000 mensen.

Omdat wij tussen twee vluchten in een paar uur speling hadden, besloten wij de stad te gaan verkennen. Het eerste wat ons opviel, was de overvloed van wollegras met zijn pluizige witte bloemen, die de Inuit (vroeger Eskimo’s genoemd) plukken en drogen om ze als wattenbolletjes te gebruiken. Toen wij naar de haven en helemaal tot aan de rand van het water wandelden, merkten wij dat het snel laag water werd. Binnen twee minuten kwam er zes meter strand bloot te liggen, compleet drooggezogen!

Even later gingen wij aan boord van een propellervliegtuigje om naar Pangnirtung, vlak onder de poolcirkel, te vliegen. De vlucht van een uur gaf ons voorproefjes van de attracties die ons te wachten stonden. Tussen de donkere wolkenmassa’s door kregen wij steeds een glimp te zien van een ruige wildernis met reusachtige panorama’s van sneeuw, rotsen en water. Het zag er allemaal koud en onheilspellend uit. En toen wij ten slotte op „Pang” aanvlogen, werd dat beeld alleen nog maar versterkt. Alvorens op een gravelbaan te landen, cirkelde het vliegtuig onder het donkere wolkendek rond boven een diepe fjord, omgeven door met sneeuw bedekte steile bergen.

Uit de droom geholpen

Het regende in „Pang”, en daarom zochten wij beschutting onder de vleugel van het vliegtuig, in afwachting van onze rugzakken met al onze levensmiddelen en onze uitrusting, en een koffer vol bijbelse lectuur. Toen het laadruim geleegd werd, was er echter geen spoor van onze spullen te bekennen. In de piepkleine aankomsthal van het vliegveld werd ons meegedeeld dat de bagage waarschijnlijk mee zou komen met het volgende vliegtuig, dat over twee uur werd verwacht. Wij hadden ten minste onze tent bij ons, en daarom trokken wij er te voet op uit om het kampeerterrein te zoeken en onze tent op te zetten. Wij schuilden voor de regen in een kruidenierszaakje bij het kampeerterrein en praatten met het meisje dat in de winkel werkte over de stad en de bevolking.

Zij hielp ons even van een paar misvattingen af. Om te beginnen dachten wij dat de stad, met haar bevolking van ongeveer 1000 mensen, ruim 300 woonhuizen zou moeten tellen. In werkelijkheid zijn het er maar zo’n 180. De meeste goederen zullen wel via de lucht aangevoerd worden, niet? Nee hoor. Ze komen per schip — eens per jaar. Er komen in totaal vier schepen. Eén voor de Hudson Bay Company, het warenhuis van het noorden, één met bouwmaterialen, één met olie en benzine, en één met koopwaar voor alle andere winkels, met inbegrip van alle ingeblikte levensmiddelen voor een heel jaar. Bederfelijke waar komt natuurlijk per vliegtuig.

De nacht die nooit kwam

Toen onze bagage eindelijk gearriveerd was, sloegen wij ons kamp op en kookten ons avondeten, allemaal in de regen. Een trekkersgids vertelde ons dat hij daar al drie maanden was en negen zonnige dagen had meegemaakt! Het bleek warmer te zijn dan verwacht, dag en nacht zo’n 10 °C.

Maar nacht is het nooit geworden; al de tijd dat wij daar waren was het licht. Wij ontdekten dat wij om één uur ’s nachts zonder kunstlicht konden fotograferen. Maar hoe zouden wij kunnen slapen als het altijd licht was? Welnu, het was koud genoeg om een wollen muts te dragen, zelfs om ermee te slapen; dus om het licht uit te doen, trokken wij gewoon onze muts over de ogen.

Op een nacht werd ik om drie uur gewekt door een helder licht vanuit het noorden. Ik begreep er niets van. Op het noordelijk halfrond gaat de zon in het oosten op, staat om twaalf uur ’s middags in het zuiden en gaat onder in het westen, maar in het noorden zie je de zon nooit. Toen besefte ik dat wij ons aan de bovenkant van de aarde bevonden en dat de zon ’s zomers midden in de nacht inderdaad vanuit het noorden schijnt. Daar hebben wij wel even aan moeten wennen.

Zouden wij welkom zijn bij de Inuit?

Vrijwel alle huizen in Pangnirtung zijn met zware kabels aan de grond bevestigd om stevig vast te staan in de felle stormen. De meeste gezinnen hebben skimotoren voor vervoer in de winter en drie- of vierwielige terreinwagentjes voor in de zomer. En er zijn een paar auto’s, ook al telt de stad maar zo’n drie kilometer straat! Aangezien de stad op een klein vlak terrein naast de fjord ligt en omringd is door hoge steile bergen, valt er nergens anders auto te rijden.

Elk gezin leeft voor een groot deel van de jacht op de toendrakariboe en de stinkrob, en ook wordt er op arctische zalmforel gevist. In Iqaluit hebben wij kariboeburger, muskusosburger en zelfs een beetje muktuk, ofte wel walvishuid met het spek eraan, geprobeerd. In tegenstelling tot rundvet smaakt walvisvet zelfs koud niet vettig en volgens zeggen zit er wat eiwit in.

In de hele stad hebben wij maar een handjevol mensen getroffen die ooit van Jehovah’s Getuigen hadden gehoord, en dat waren geen autochtonen. Zij waren uit andere gebieden hier komen wonen. De grote vraag die ons bezighield, was dan ook hoe deze noordelijke mensen op de Koninkrijksboodschap zouden reageren. Daar kwamen wij al gauw achter. Vrijwel iedereen die wij troffen, nam bijbelse lectuur. Om precies te zijn: ik bezocht elke dag 45 huizen en elke dag zeiden slechts drie personen: „Ik heb geen belangstelling.”

Toen wij de eerste dag aan de deuren wilden gaan kloppen, schoot een jonge man langs ons heen het huis in waar wij net voor stonden, en zei: „Je moet niet kloppen. Loop maar gewoon naar binnen. Dat doet iedereen hier.” Daarom volgden wij zijn raad op, deden verlegen de buitendeur open, stapten naar binnen naar de tweede deur, die gewoonlijk openstond, en riepen naar de mensen binnen. De bewoners, bijna allemaal Inuit, waren eerst meestal achterdochtig. Maar door vriendelijk te glimlachen en ons onmiddellijk te identificeren en de prachtige illustraties in Mijn boek met bijbelverhalen te laten zien, wisten wij hun vrees al snel weg te nemen en hun belangstelling te wekken. Het sprak hun aan als wij een plaatje lieten zien van een kind dat met een leeuw speelde en over de tijd spraken dat zelfs de ijsberen mak en vreedzaam zouden zijn en het eten niet zo duur zou zijn.

Na alle huizen in het dorp te hebben bezocht, gingen wij zes dagen op trektocht in Auyuittuq National Park, een sprookjeswereld van sneeuw, ijs, gletsjers, rotspieken en watervallen.

Toen ons vliegtuig uit Pangnirtung opsteeg en zuidwaarts over de fjord wegcirkelde, dankten wij Jehovah God voor de gelegenheid die wij hadden gekregen om dit geïsoleerde gebied te bezoeken. Nu nog vliegen onze gedachten telkens terug naar die vriendelijke Inuit die zo ontvankelijk waren voor de bijbelse waarheid, in het land dat nooit smelt. — Ingezonden.

[Illustraties op blz. 16, 17]

Wollegras. De Thor Peak van Baffineiland op de achtergrond verheft zich 1500 meter boven het dal

Uiterst rechts: Je moet stevig op je benen staan om een ijskoude rivier over te steken

Uiterst rechts onderaan: Boten op het strand bij laag water in Pangnirtung

Rechts: Inuit-meisje omklemt haar kostbare „Bijbelverhalen”-boek

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen