Hij die onze dierenwereld zal beschermen
VANAF de dageraad der menselijke geschiedenis heeft de mens het heerlijk gevonden dieren in het wild te bestuderen. Maar nadat God de mens toestemming had gegeven om zijn menu met vlees uit te breiden, is de waardering voor het dierenleven helaas ontaard in nodeloze slachtpartijen en een wrede jacht op trofeeën. — Genesis 2:19, 20; 9:2; 10:9; 25:27.
Sommige mensen zijn de dierenwereld echter blijven bewonderen. Ongeveer 3000 jaar geleden werden de woorden van Psalm 104 opgetekend door iemand die van dieren hield. Hij noemt verscheidene in het wild levende soorten bij naam, zoals zebra’s, leeuwen, steenbokken, klipdassen en de ooievaar. Naar aanleiding van zijn studie van vogels, vogelgezang en wilde dieren barstte hij uit in lofprijzing: „[Jehovah heeft] ze alle in wijsheid gemaakt.” — Psalm 104:10-12, 17-21, 24.
Ja, Jehovah God kan met recht ingenomen zijn met zijn schitterende scheppingswerken (Genesis 1:31). Daarom kunnen wij er zeker van zijn dat hij niet zal toelaten dat wat er nog van de dierenwereld op aarde rest, wordt uitgeroeid. Daarmee strookt dat God de psalmist ertoe inspireerde inlichtingen op te tekenen die goed nieuws voor alle dierenliefhebbers moeten zijn. Er wordt ons verteld dat „de aarde . . . tot onbepaalde tijd, of voor eeuwig, niet aan het wankelen [zal] worden gebracht” (Psalm 104:5). Die zorg voor het eeuwige welzijn van deze planeet strekt zich stellig uit tot de dieren die erop leven (Jesaja 45:18). Jezus Christus bevestigde Gods zorg voor het dierenleven toen hij zei: „Worden niet vijf mussen voor twee geldstukken van geringe waarde verkocht? Toch wordt niet één daarvan vergeten bij God” (Lukas 12:6). Gods zorg voor zijn schepping wordt ook beklemtoond in vers 14 van Psalm 104, dat luidt: „Hij laat het groene gras ontspruiten voor de dieren, en de plantengroei ten dienste van de mensheid, om voedsel uit de aarde te doen voortkomen.”
In overeenstemming met deze feiten zal Jehovah God niet eeuwig mensen dulden die hem loochenen en die een bedreiging zijn voor de toekomst van de aarde en het dierenleven erop. Psalm 104 benadrukt dit door te besluiten met deze geruststellende woorden: „De zondaars zullen een eind nemen op de aarde; en wat de goddelozen betreft, zij zullen er niet meer zijn.” — Psalm 104:35.
Wat een troost te weten dat God verklaard heeft vastbesloten te zijn „hen te verderven die de aarde verderven” (Openbaring 11:18). Dan zullen andere profetieën die nu in figuurlijke zin in vervulling gaan een letterlijke vervulling krijgen. Zo verklaart Jehovah God bij monde van zijn profeet Hosea: „Ik [zal] op die dag stellig een verbond sluiten in verband met het wild gedierte van het veld en met het vliegende schepsel des hemels en het kruipend gedierte van de aardbodem, en de boog en het zwaard en oorlog zal ik uit het land verbreken, en ik wil hen in zekerheid doen neerliggen.” — Hosea 2:18; Jesaja 11:6-9.
Denk u eens in dat u in dat komende aardse paradijs bent. Wat een heerlijke tijd zal dat zijn! ’Maar’, vraagt u zich misschien af, ’wat is een vereiste om zulke zegeningen te beërven?’ Allereerst is het nodig Gods Woord te bestuderen. En voor degenen die zich aan de richtlijnen uit de bijbel onderwerpen, doet Jehovah God deze schitterende belofte: „De rechtvaardigen, díe zullen de aarde bezitten, en zij zullen er eeuwig op verblijven.” — Psalm 37:29.