De ups en downs van de wielersport
WORSTELEND, hijgend, trappend, zonder evenwel echt de vermoeidheid te voelen, was ik ervan overtuigd dat het het allemaal waard was. Na een klim van 25 kilometer, op het hoogste punt van de Col du Grand-Saint-Bernard, tussen Zwitserland en Italië, reed ik op kop. Mijn ploegleider gebaarde vanuit zijn auto dat ik een paar minuten voor lag. Ik zag al helemaal voor me hoe ik de etappe zou winnen en zelfs de gele leiderstrui zou aantrekken.
Gevolgd door motorfietsen en auto’s snelde ik met een roekeloze vaart langs de andere kant naar beneden. Halverwege nam ik een van de bochten te snel. Mijn achterwiel slipte onder mij vandaan en ik vloog van de weg af. De etappe reed ik met veel moeite uit, maar de gele trui en de glorie kon ik wel vergeten. Ik won de Ronde van de Toekomst van 1966 niet.
Hoe mijn passie ontstond
Ik werd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Bretagne geboren. In West-Frankrijk is wielrennen heel populair en de streek heeft veel kampioenen voortgebracht. Als jongen keek ik altijd naar de plaatselijke wedstrijden en miste nooit de Tour de France op de televisie. Als ik de renners moeizaam de adembenemende bergpassen zag nemen en langs de steilste hellingen naar beneden zag suizen, leken ze in mijn ogen wel goden.
Op mijn zeventiende besloot ik het te proberen. Met de hulp van een fietsenhandelaar kocht ik tweedehands mijn eerste racefiets. Ik had een vol programma: ik trainde elke zondagmorgen en doordeweeks zowel voor als na het werk. Slechts twee maanden later stond ik met bonzend hart aan de start van mijn eerste wedstrijd. Ik zou hem gewonnen hebben als het peloton mij niet net tien meter voor de finish had ingehaald! De rest van dat jaar eindigde ik in bijna al mijn wedstrijden bij de eerste vijftien.
In 1962 was mijn seizoen van korte duur. Na drie maanden wedstrijdrijden en verscheidene overwinningen kreeg ik een oproep voor achttien maanden militaire dienst in Algerije. Na mijn terugkeer in Frankrijk gebruikte ik het jaar 1965 om weer in vorm te komen. Maar het daaropvolgende seizoen was ik vastbesloten de vreugde te ervaren nogmaals de bloemen in ontvangst te mogen nemen.
Vanaf maart 1966 volgde de ene overwinning op de andere. Voor elke wedstrijd waarin ik als eerste of tweede eindigde, kreeg ik punten waarmee ik uiteindelijk zou overgaan naar een hogere klasse, waar de strijd nog feller zou zijn. In die tijd werkte ik echter bij mijn vader, die parketvloeren schuurde. Het was afmattend werk en daarom kon ik niet zo veel tijd aan de wielersport besteden als ik wel gewild had. Toen ik dus het benodigde aantal punten had behaald om in mijn klasse te blijven, nam ik genoegen met de premies die ik met de overgebleven wedstrijden won en liet toe dat anderen mij klopten om niet een klasse te hoeven opschuiven.
Snelle vorderingen
Gezien mijn resultaten boden drie ploegen mij wielercontracten aan. Ik weigerde, om niet bij mijn vader weg te hoeven. Maar de vasthoudendste ploegleider haalde mijn vader over mij een week vrij te geven om mee te doen aan een zware wedstrijd in de Pyreneeën, een bergketen langs de Frans-Spaanse grens. Ik eindigde vrij hoog en daarom gingen wij in Spanje verder, waar ik de Ronde van Catalonië voor amateurs won. Een paar dagen later kwam ik uit in de Ronde van de Balearen, won de eerste etappe en mocht de leiderstrui aantrekken, die ik echter op de laatste dag in een tijdrit weer kwijtraakte doordat mijn ploeg uitviel.
Toen kwam de Route de France in het gebied rond Nice. Ik blonk in veel van de etappes uit en won de trofee voor de beste bergspecialist. Wegens deze goede resultaten werd ik als een van de tien beste renners geselecteerd en uitgenodigd om Frankrijk te vertegenwoordigen in de Ronde van de Toekomst, de amateursversie van de Tour de France.
Het enige nieuws dat mijn familie die twee maanden ontving, kwam van de sportpagina’s van de kranten. Denkend aan mijn vader en het feit dat hij mij maar één week vrij had gegeven, sloeg ik het aanbod af en keerde naar huis terug. Maar mijn ploegleider en een sportjournalist overtuigden mijn vader ervan dat ik een van Frankrijks veelbelovendste wielrenners was en dus liet hij mij gaan. Ik was in de wolken! Nog maar enkele maanden voordien was ik een derde- of vierdeklasamateur en nu was ik uitgekozen voor de belangrijkste wielerronde voor amateurs ter wereld! Zoals ik aan het begin al vertelde, ruïneerde een val mijn kansen in die Ronde van 1966.
In 1967 won ik ongeveer tien wedstrijden, deed mee aan de wedstrijd Parijs-Nice en eindigde als vierde in de Ronde van Morbihan in Bretagne. In 1968, op 24-jarige leeftijd, tekende ik mijn eerste contract als beroepsrenner en kwam bij de ploeg van de Nederlandse wielrenner Jan Janssen. Wij deden mee aan de Tour de France en Jan won die dat jaar. Intussen ontmoette ik na een tijdrit in Rennes (Bretagne) Danielle, die daarheen was gekomen om haar eerste wielerronde te zien. Het zou niet haar laatste zijn, want het jaar daarop trouwden wij.
Wat genoot ik van die dagen — de teamgeest, het zwerversbestaan, elke dag nieuwe steden en landschappen zien! Ik verdiende niet veel geld, maar dat vond ik niet erg omdat ik zo veel plezier in het wielrennen had. Ik deed het goed in verscheidene oefenwedstrijden en hoopte een van de grote wedstrijden te winnen. Het begon echter tot mij door te dringen dat er een enorme kloof ligt tussen amateurs en beroepsrenners.
De grote kampioenen . . . en de anderen
In het seizoen 1969 sloot ik mij aan bij de ploeg van de beroemde Franse wielrenner Raymond Poulidor. Ik nam deel aan de grote eendaagse klassiekers — Parijs-Roubaix en de Waalse Pijl in België. Op de bergpassen hield ik de beste wielrenners bij en in verschillende etappes eindigde ik redelijk goed. Toch genoot ik, meer dan van iets anders, van overwinningen in de plaatselijke wedstrijden in Bretagne voor het oog van de menigten toeschouwers waarvan ik hield.
Maar anders dan ik had gehoopt, was ik net als vele anderen niet gezegend met de fysieke vermogens van een groot kampioen. In een zware etappe van de Ronde van Spanje moest ik het wegens de sneeuw en de regen opgeven. Toen besefte ik dat de grote kampioenen net iets meer hebben, dat speciale iets wat hen in staat stelt zowel verzengende hitte als bittere kou te verdragen. Ik had bijvoorbeeld niet dezelfde klasse als Eddy Merckx, de Belgische kampioen die toen de wielersport domineerde. Hij overtrof de rest van ons ruimschoots. Eigenlijk zag ik gedurende de wedstrijden waaraan hij deelnam praktisch alleen maar zijn rug.
Solidariteit onder de renners
Solidariteit was er zelfs onder concurrerende ploegen. Ik heb dit persoonlijk meegemaakt in een van de moeilijkste etappes van de Tour de France van 1969. De avond ervoor waren wij uitgeput van een reeks zware bergetappes in ons hotel aangekomen. De wekker liep de volgende ochtend om zeven uur af. Zoals gewoonlijk stond er drie uur voor de wedstrijd een uitgebreid ontbijt voor ons klaar.
Wij stonden met ongeveer 150 man aan de start en iedereen vertelde over zijn ups en downs van de voorgaande dagen, er wel voor zorgend niet de strategie van de ploeg voor de komende etappe te onthullen. Het zou een slopende dag worden. Deze etappe liep van Chamonix, aan de voet van de Mont Blanc, naar Briançon, een traject van 220 kilometer door de Alpen en over drie grote passen.
Al vanaf de start lag het tempo heel hoog. Toen ik de 1984 meter hoge Col de la Madeleine beklom, wist ik dat het voor mij geen goede dag zou worden. Het regende, en toen wij hoger kwamen, veranderde de regen in sneeuw. Boven aangekomen, liepen wij met ons zessen uit verschillende ploegen al enkele minuten achter op de kopgroep. Verkleumd begonnen wij aan de afdaling, onze vingers zo stijf dat wij nauwelijks in staat waren af te remmen zonder een voet tegen de grond te houden. Beneden gaf een tourofficial vanuit een auto aan dat wij vanwege onze late aankomst ongetwijfeld uitgeschakeld zouden worden. Ik was helemaal terneergeslagen bij de gedachte mijn Tour de France te zien eindigen in een omgeving waar ik het meeste van hield, de bergen.
Hoewel onze krachtsinspanningen tevergeefs leken, moedigde de renner die van ons de meeste ervaring had, ons aan het niet op te geven. Hij monterde ons op, bracht de groep in formatie en stelde voor dat wij bij toerbeurt voorop zouden fietsen. Wij zetten door. Toen wij bij de bevoorradingspost aankwamen, was deze gesloten, maar wij vonden het geen probleem het beetje voedsel dat wij nog overhadden met elkaar te delen.
Toen wij weer in het dal waren, gaf het warme weer ons hernieuwde kracht. De uren verstreken en daar lagen de twee andere grote hindernissen van die dag voor ons — de Col du Télégraphe en de Col du Galibier, respectievelijk 1670 en 2645 meter hoog. Tijdens de beklimming wachtte ons een geweldige verrassing. Bij een bocht in de weg konden wij tussen de toeschouwers door een veelkleurige massa onderscheiden. Ja, wij waren op de anderen ingelopen. Wij passeerden enkelen die het hadden opgegeven en anderen die niet meer vooruit leken te kunnen komen. Ik zag een van Belgiës jonge veelbelovende renners te voet, uitgeput zijn fiets voortduwend. Ik haalde mijn kopman in en eindigde de etappe redelijk goed.
Door dit alles leerde ik een belangrijke les die ik nooit ben vergeten: Zolang je niet over de eindstreep bent, is de wedstrijd noch verloren, noch gewonnen. Ook zal ik nooit de geest van wederzijdse steun vergeten die er zelfs onder concurrerende ploegen was.
Eerste contacten met de bijbel
In 1972 kwam ik voor het eerst in contact met de bijbelse boodschap. Een wielrenner genaamd Guy, die kort daarvoor uit de beroepsrennerij was gestapt, bracht mij een bezoekje en sprak over zijn nieuwe geloof. Ik vertelde hem dat ik geen belangstelling had en dat iedereen gelooft dat zijn eigen religie de beste is. Guy liet mij een paar verzen uit de bijbel lezen en reageerde op mijn tegenwerpingen met de woorden dat, aangezien veel religies zeggen dat hun geloofsopvattingen uit de bijbel komen, het gemakkelijk zou moeten zijn om ze aan de waarheid uit Gods Woord te toetsen.
Ik had van de bijbel gehoord, maar als niet-praktizerend katholiek dacht ik niet dat de bijbel iets met mijn religie te maken had. Toch had ik het gevoel dat ons gesprek op een juist moment kwam omdat een familielid van mijn vrouw, een missionaris, ons zou komen bezoeken en wij dit allemaal met hem zouden kunnen bespreken.
Het familielid van mijn vrouw bevestigde dat de bijbel werkelijk het Woord van God is. Toch zei hij dat wij op onze hoede moesten zijn omdat, volgens hem, Jehovah’s Getuigen fijne mensen waren maar zij anderen misleidden. Toen ik Guy weer ontmoette, vroeg ik wat hij daarvan dacht. Hij legde uit dat de leerstelling van de onsterfelijkheid van de menselijke ziel, in tegenstelling tot wat mij in de kerk was geleerd, niet in de bijbel staat (Ezechiël 18:4). Hij vroeg ook waarom ons familielid Gods naam, Jehovah, niet gebruikte. — Psalm 83:18.
Het verbaasde mij te vernemen dat God een naam had. Toen wij deze bijbelgedeelten aan het familielid van mijn vrouw lieten zien, zei hij dat de bijbel niet zo letterlijk genomen moest worden. Onze gesprekken met Guy stopten en hij ging weer naar Parijs, waar hij werkte.
Een jaar later keerde Guy terug naar Bretagne en bracht ons een bezoekje. Hij hervatte de gesprekken door ons te laten zien dat de bijbel ook een profetisch boek is. Dit moedigde ons aan tot een diepgaander studie. Onze gesprekken begonnen wat geregelder te worden. Toch moest Guy veel geduld met mij hebben, want mijn leven draaide nog steeds om de wielersport en alles wat daarmee samenhing — vrienden, supporters, enzovoort. Ook was onze familie, geboren en getogen in Bretagne, een streek waar men zeer aan religieuze tradities hecht, gekant tegen onze recente belangstelling voor de bijbel.
In 1974 kwam er door een verkeersongeval plotseling een eind aan mijn wielerloopbaan. Dit zette ons aan het denken over wat in ons leven werkelijk belangrijk was. Mijn vrouw en ik besloten uit onze geboorteplaats weg te trekken en daarmee onder de invloed van onze familie vandaan. Daarop begonnen wij geregeld de vergaderingen in de Koninkrijkszaal van de gemeente Dinan te bezoeken. Wij maakten beiden vorderingen in de waarheid en werden in 1976 gedoopt.
Sindsdien ben ik in de gelegenheid geweest met verschillende wielrenners van mijn generatie over de bijbel te spreken. Ook herkennen veel mensen mij wanneer ik van huis tot huis ga en zij vinden het heerlijk over mijn loopbaan in de wielersport te praten. Sommigen zijn echter niet meer zo enthousiast als ik over de Koninkrijksboodschap begin.
Als ik nu behoefte heb om eens lekker de spieren los te maken, ga ik met mijn gezin fietsen. Op zulke momenten besef ik de waarheid van Paulus’ woorden toen hij zei: „Lichamelijke oefening is nuttig voor weinig, maar godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven” (1 Timotheüs 4:8). — Verteld door Jean Vidament.
[Kader/Kaart op blz. 16, 17]
De Tour de France
’s Werelds beroemdste wielerwedstrijd op de weg, de Tour de France, begon in 1903. Hij gaat over een afstand van 4000 tot 4800 kilometer, duurt ongeveer drie weken en eindigt in Parijs. Er nemen ongeveer 200 beroepsrenners deel aan deze wedstrijd, die grotendeels door Frankrijk loopt en af en toe een stukje door een buurland. Massa’s toeschouwers langs de route moedigen de wielrenners aan.
Elke dag draagt de renner met de kortste totaaltijd de gele trui. Wie op de laatste dag leider is van het algemeen klassement, is de winnaar.
Enkele van de kortste etappes zijn tijdritten, waarin individuele rijders of ploegen tegen de klok rijden. Bij het onderdeel ploegentijdritten moet een vast aantal wielrenners die tot dezelfde ploeg behoren gelijktijdig als groep finishen.
[Kaart]
De Tour de France
Frankrijk
ROUBAIX (start)
PARIJS
[Illustratie op blz. 16]
In 1968, op 24-jarige leeftijd, reed Jean Vidament mee in de Tour de France
[Illustratieverantwoording op blz. 15]
Mike Lichter/International Stock