Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g93 22/3 blz. 3-4
  • Waarom zo vaak een vals alarm?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom zo vaak een vals alarm?
  • Ontwaakt! 1993
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een zelden zichtbaar dier — Gehaat en bemind
    Ontwaakt! 1994
  • Voorspellingen van het einde van de wereld
    Ontwaakt! 1995
  • Waarom bang voor de wolf?
    Ontwaakt! 1977
  • Op zoek naar betrouwbare voorzeggingen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
Meer weergeven
Ontwaakt! 1993
g93 22/3 blz. 3-4

Waarom zo vaak een vals alarm?

Het einde van de wereld — Hoe nabij?

ER BESTAAT een verhaal over een jongen die de schapen van de dorpelingen hoedde. Om wat leven in de brouwerij te brengen, riep hij op een dag „Wolf! Wolf!”, terwijl er geen wolf was. De dorpelingen kwamen aangestormd met knuppels om de wolf te verdrijven, maar ontdekten dat er geen wolf was. Het was zo leuk dat de jongen later zijn kreet nogmaals liet horen. Weer kwamen de dorpelingen aangestormd met hun knuppels, om te ontdekken dat het ook nu vals alarm was. Enige tijd later kwam er wel een wolf en de jongen liet de waarschuwing horen: „Wolf! Wolf!”, maar de dorpelingen deden zijn geroep af als weer een vals alarm. Zij waren te vaak voor de gek gehouden.

Zo vergaat het degenen die het einde van de wereld aankondigen. Sinds Jezus’ dagen zijn er door de eeuwen heen zo veel niet uitgekomen voorspellingen gedaan, dat velen ze niet langer serieus nemen.

Gregorius I, paus van 590 tot 604 G.T., zei in een brief aan een Europese vorst: „Wij willen Uwe Majesteit ook doen weten, zoals wij uit de woorden van de Almachtige God in de Heilige Schrift hebben vernomen, dat het einde van de huidige wereld reeds nabij is en dat het nimmer eindigende Koninkrijk der Heiligen nadert.”

In de zestiende eeuw voorspelde Maarten Luther, de grondlegger van de Lutherse Kerk, dat het einde voor de deur stond. Volgens één autoriteit verklaarde hij: „Wat mij betreft, ik ben ervan overtuigd dat de dag des oordeels zeer nabij is.”

Over een van de eerste doopsgezinde groeperingen wordt bericht: „De anabaptisten uit het begin van de zestiende eeuw geloofden dat het millennium in 1533 zou komen.”

„Edwin Sandys (1519–1588), aartsbisschop van York en primaat van Engeland, . . . zegt: . . . ’Laten wij ervan verzekerd zijn dat deze komst van de Heer nabij is.’”

William Miller, algemeen beschouwd als de stichter van het adventisme, moet gezegd hebben: „Ik ben er ten volle van overtuigd dat ergens tussen 21 maart 1843 en 21 maart 1844, volgens de joodse tijdrekening, Christus zal komen.”

Worden door het niet uitkomen van zulke voorzeggingen degenen die ze hebben gedaan veroordeeld als valse profeten in de zin van Deuteronomium 18:20-22? Die tekst luidt: „De profeet die zich aanmatigt in mijn naam een woord te spreken dat ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet moet sterven. En ingeval gij in uw hart zegt: ’Hoe zullen wij weten welk woord Jehovah niet heeft gesproken?’ — wanneer de profeet in de naam van Jehovah spreekt en het woord geschiedt niet of komt niet uit, dan is dat het woord dat Jehovah niet gesproken heeft.”

Er zijn mensen die opzienbarende voorspellingen doen over het einde van de wereld om de aandacht te trekken en aanhang te krijgen, maar anderen zijn er oprecht van overtuigd dat hun aankondiging waar is. Zij geven uiting aan verwachtingen die gebaseerd zijn op hun eigen uitleg van een schriftplaats of een feitelijke gebeurtenis. Zij beweren niet dat hun voorzeggingen rechtstreekse openbaringen van Jehovah zijn en dat zij in die zin in Jehovah’s naam profeteren. Daarom mogen zij in zulke gevallen, als hun woorden niet uitkomen, niet worden beschouwd als valse profeten zoals degenen tegen wie in Deuteronomium 18:20-22 gewaarschuwd wordt. In hun menselijke feilbaarheid hebben zij dingen verkeerd geïnterpreteerd.a

Niet ontmoedigd door eerdere vergissingen schijnen sommigen zich door de nadering van het jaar 2000 aangespoord te voelen tot het doen van verdere voorspellingen van het einde van de wereld. In The Wall Street Journal van 5 december 1989 stond een artikel met als titel „Millenniumkoorts: aantal profeten neemt snel toe, het einde is nabij”. Nu het jaar 2000 nadert, voorspellen verscheidene evangelicals dat Jezus komt en dat de jaren ’90 „een tijd van ongekende moeilijkheden” zullen zijn. Toen dit artikel werd geschreven, had het meest recente voorbeeld zich in Zuid-Korea voorgedaan, waar de Missie voor de Komende Dagen voorzei dat Christus op 28 oktober 1992 te middernacht zou komen en gelovigen mee zou voeren naar de hemel. Verscheidene andere doemsdaggroeperingen deden soortgelijke voorspellingen.

De stroom van valse waarschuwingen is betreurenswaardig. Ze zijn te vergelijken met het wolf-wolf-geroep van de herdersjongen — mensen reageren er al gauw niet meer op, en als de echte waarschuwing klinkt, wordt ook die genegeerd.

Maar vanwaar die, door Jezus voorzegde, tendens door de eeuwen heen en tot in onze tijd om een vals alarm te laten klinken? (Mattheüs 24:23-26) Nadat Jezus zijn volgelingen verteld had over verschillende gebeurtenissen die zijn wederkomst zouden kenmerken, zei hij tegen hen wat wij in Mattheüs 24:36-42 lezen: „Van die dag en dat uur weet niemand iets af, noch de engelen der hemelen noch de Zoon, dan de Vader alleen. Want net zoals de dagen van Noach waren, zo zal de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen zijn. . . . Waakt daarom voortdurend, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.”

Hun werd niet alleen gezegd te waken en gereed te zijn, maar er ook vurig naar uit te zien. Romeinen 8:19 zegt: „Want de vurige verwachting van de schepping wacht op het openbaar worden van de zonen Gods.” Het ligt in de menselijke aard ons ertoe te laten verleiden om, wanneer wij vurig op iets hopen en er vol verwachting naar uitzien, het voor de deur te zien staan, zelfs wanneer de bewijzen ontoereikend zijn. In onze gretigheid kan er een vals alarm worden gegeven.

Wat zal de echte waarschuwing dan onderscheiden van de valse waarschuwingen? Het antwoord kunt u in het volgende artikel lezen.

[Voetnoot]

a Jehovah’s Getuigen hebben in hun vurige verlangen naar Jezus’ tweede komst jaartallen genoemd die onjuist zijn gebleken. Daarom hebben sommigen hen valse profeten genoemd. In geen van deze gevallen hebben zij zich echter aangematigd voorzeggingen ’in de naam van Jehovah’ te uiten. Nooit hebben zij gezegd: ’Dit zijn de woorden van Jehovah.’ In De Wachttoren, het officiële tijdschrift van Jehovah’s Getuigen, is gezegd: „Wij hebben niet de gave van profetie” (Engelse uitgave van januari 1883, blz. 425). „Noch zouden wij willen dat onze geschriften werden vereerd of als onfeilbaar werden beschouwd” (Engelse uitgave van 15 december 1896, blz. 306). In De Wachttoren werd ook gezegd dat het feit dat sommigen Jehovah’s geest bezitten, niet wil zeggen „dat zij die thans als Jehova’s getuigen dienen, geïnspireerd zijn. Het wil niet zeggen dat het geschrevene in dit tijdschrift De Wachttoren geïnspireerd en onfeilbaar en zonder fouten is” (1 augustus 1947, blz. 245). „De Wachttoren beweert . . . niet dat zijn uitspraken zijn geïnspireerd, noch is het tijdschrift dogmatisch” (15 november 1950, blz. 365). „De broeders die deze publikaties verzorgen, [zijn] niet onfeilbaar . . . Hun geschriften zijn niet geïnspireerd, zoals wel het geval was met de geschriften van Paulus en de andere bijbelschrijvers (2 Tim. 3:16). En daarom is het soms nodig geweest om, naarmate het inzicht duidelijker werd, gezichtspunten te corrigeren (Spr. 4:18).” — 15 mei 1981, blz. 19.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen