’Moreel bederf bij het hoger onderwijs’
„DE AFGELOPEN zes maanden heeft een team van accountants de boekhouding van veertien van de belangrijkste universiteiten van het land [VS] nauwkeurig onderzocht op uitgaven die ’per vergissing’ ten laste van de staatsfinanciën waren geboekt. ’Wij hebben ontdekt dat de veertien onderwijsinstellingen ongeveer 20,4 miljoen dollar aan ontoelaatbare kosten hadden opgevoerd’”, zeiden de accountants volgens een verslag gepubliceerd in het Britse tijdschrift New Scientist van 25 januari 1992.
De overheidsaccountants begonnen hun speurwerk vorig jaar, toen ontdekt werd dat de Stanford University zo’n 25 miljoen dollar aan belastinggelden had gebruikt, onder meer voor dagelijks verse bloemen voor het huis van de rector, een trouwreceptie, afschrijving op een jacht, lidmaatschappen van de buitensociëteit en het runnen van een winkelcentrum. Geconfronteerd met deze onfrisse feiten zei de toenmalige rector van Stanford, Donald Kennedy, dat hij „uitgaven die gemakkelijk tot misverstanden bij het publiek kunnen leiden”, zou schrappen en daarmee „alle verwarring die eruit zou kunnen voortvloeien, vermijden”. De Boston Herald van 1 januari 1992 gaf op zijn antwoord als commentaar: „Met andere woorden, het enige probleem was dat de grote onwetende massa buiten de campus misschien niet zou kunnen begrijpen wat de nobele olympiërs in academische sferen aan het doen waren.”
Het was na deze onthullingen over Stanford dat Amerikaanse overheidsaccountants op hun recentere toer naar de veertien universiteiten werden gestuurd en de diefstal van nog eens 20,4 miljoen dollar ontdekten. Hierbij waren gerenommeerde universiteiten als de University of Michigan, Johns Hopkins, Yale en Emory betrokken. Er waren door de veertien universiteiten uitgaven gedeclareerd voor items als „vliegtickets voor de vrouwen van rectoren; vliegticket naar Grand Canyon om een vergadering van investeerders bij te wonen; talrijke posten voor het bijwonen van rugbywedstrijden; een verhalenverteller op een kerstfeestje; en lidmaatschappen van universitaire atletiekverenigingen en allerlei gezelligheidsverenigingen, waaronder een jachtclub.”
Toen federale onderzoekers bekendmaakten dat zij ook naar het Massachusetts Institute of Technology en Harvard University zouden gaan, werden door deze instellingen grote bezuinigingen aangekondigd. De eerste liet 731.000 dollar van haar vorderingen voor onderzoeksuitgaven vallen; Harvard verlaagde haar onkostennota met 500.000 dollar. Duke ontdekte „onopzettelijke fouten” in haar declaraties. Het California Institute of Technology besloot de regering niet langer de lidmaatschappen van de buitensociëteit in rekening te brengen. De University of Pittsburgh zou geen belastinggeld gebruiken voor plaatsbewijzen voor de opera of vliegtickets naar Grand Cayman Island voor de rector en zijn vrouw.
„Het morele bederf”, zei The Boston Herald, „gaat veel dieper dan financiële aangelegenheden. Die kwamen toevallig aan het licht toen iemand een steen omkeerde en de toeschouwers liet zien wat eronder krioelde. . . . De uitgavenschandalen op Stanford en andere selecte instellingen zijn niet zozeer relevant om de geldbedragen die ermee gemoeid zijn, maar als symptoom van een dieper moreel falen. Alleen publieke verontwaardiging en institutionele veranderingen kunnen het tij mogelijk doen keren.”