Gevederde wonderen van het Bogoriameer
Door Ontwaakt!-correspondent in Kenia
HET Bogoriameer, dat in een smal bekken verscholen ligt, wordt overheerst door hoog oprijzende steile rotsen. Sommigen noemen het het mooiste meer van heel Kenia, en nu wij drieën erheen afdalen in onze open bestelauto, begrijpen wij goed waarom. Het heeft een glanzende, geelgroene kleur, het gevolg van de grote hoeveelheden algen. Deze nietige plantjes gedijen door de overvloed aan zonlicht en de warmte van de talrijke hete bronnen die het meer voeden. Het Bogoriameer is dan ook een populair voedselgebied voor de tientallen roze, algen etende flamingo’s die het sieren.
De flamingo’s zijn evenwel nog maar de eerste van veel gevederde wonderen die Paul, zijn vrouw Paula en ik op deze kampeertocht zullen zien. Wij rijden langzaam langs de rotsachtige, dorre westelijke oever. Stoomstralen vuren hun witte pluimen af naar de hemel. Even verder, neergestreken op een rotsblok dat dicht bij de oever uit het water oprijst, zit een andere gevederde profiteur van de rijke algenvoorraad: de Afrikaanse zeearend.
„Er zit geen vis in dit alkalihoudende meer”, vertelt Paul. „Dus waarom zouden, denken jullie, de arenden hier zitten?”, vraagt hij. Het antwoord komt overvliegen — een andere zeearend, die een flamingo in zijn scherpe klauwen geklemd houdt! Nu begrijp ik waarom die roze schoonheden op een veilige afstand van de neergestreken roofvogels blijven!
De zeearend is al van verre gemakkelijk te herkennen. Zijn zuiver witte kop, rug, borst en staart steken scherp af bij zijn kastanjebruine buik en zwarte vleugels. Wanneer de arend bij alkalihoudende meren wordt aangetroffen waar geen vis voorkomt, voedt hij zich bijna uitsluitend met flamingo’s. Een arendenpaar doodt er om de twee à drie dagen een. Maar in zoetwatermeren is de zeearend een echte viseter. Stelt u zich echter eens voor dat u langs de oever van een Afrikaans zoetwatermeer loopt en er een maaltje vis uit de lucht voor uw voeten neervalt! Onmogelijk? Zeker niet. Deze visser met zijn witte kop heeft gladde klauwen en staat erom bekend dat hij zijn visvangst laat vallen — tot groot genoegen van de plaatselijke bevolking!
Niettemin is de zeearend een voortreffelijk vlieger, die verbijsterende staaltjes van luchtacrobatiek ten beste geeft. Een zeearendenpaar zal soms naar een hoogte van zestig meter zweven en elkaar dan abrupt bij de klauwen pakken. Met stijf uitgespreide vleugels storten ze zich in een opwindende wervelende val, waaraan op slechts negen meter boven het water een eind komt! Vanuit de wervelende val zweven ze weer omhoog, daarbij gebruik makend van de thermiek.
Gevleugelde dansers
De stoffige, rotsachtige weg langs de zuidkant van het meer wordt steeds glooiender en moeilijker te begaan. Als wij langs het laatste stuk omhoogrijden, komen wij langs een paartje kroonkraanvogels dat rustig insekten van hoge grassprieten staat te pikken. Het is nu laat in de middag en met een zucht van verlichting bereiken wij onze bestemming — Fig Tree Camp. Het ligt aan de uiterste zuidoostkant van het meer en is een welkome oase voor vermoeide reizigers.
Na onze nachtelijke rust zitten wij ’s ochtends rond een vuur met kleine teugjes van onze hete koffie te genieten. Dan, plotseling, is hij er! Slechts zo’n meter boven ons hoofd fladdert het mannetje van de Afrikaanse paradijsvliegenvanger, druk bezig met het bouwen van zijn nest in een boom die nauwelijks een meter van onze kampeerplaats staat. „Wat een schitterende, lange witte staart!”, roept Paula uit. Lang is hij zeker. De lengte van het mannetje zonder staartveren is slechts achttien à negentien centimeter. Maar zijn twee staartveren kunnen een verbazingwekkende lengte van veertig centimeter bereiken. Hoewel de paradijsvliegenvanger betrekkelijk klein is, is het een vechtersbaas. Zelfs als veel grotere roofvogels zich te dicht bij het nest wagen, aarzelt het mannetje niet tot de aanval over te gaan!
„Het zal niet meevallen daar een mooie foto van te maken”, zegt Paul terwijl hij zijn camera instelt. De bedrijvige nestbouwer zit niet lang op één plek maar maakt frequente vluchten naar een verlaten spinneweb vol bladeren hoog in een boom. Waarom doet hij dat? Om de kleverige stoffen te verzamelen, die hij gebruikt bij de bouw van zijn nest. IJverig speurend naar de beste delen van het web fladdert hij eerst hier en dan daar, snelle zijdelingse lichaamsbewegingen makend waardoor die spectaculaire staart heftig heen en weer gaat. Wij genieten van zijn opvallende dans! Als hij de beste stukjes heeft uitgezocht, keert hij terug naar de plaats van het nest, waarbij zijn sierlijke staart achter hem aan golft.
Later die ochtend krijgen wij weer een kroonkraanvogelpaar in het oog. Ze hebben besloten op de grazige weide voor ons kamp te foerageren, tussen het meer en het vijgenbos. De kroonkraanvogel is een van de grootste Oostafrikaanse vogels; hij bereikt een hoogte van bijna een meter op zijn steltachtige zwarte poten. Zijn pluimage is een schitterende mengeling van wit, kastanjebruin, zwart en grijs. Maar het opmerkelijkste is boven de hals te zien. Het fluwelige zwarte voorhoofd wordt geflankeerd door wit met scharlakenrode wangkwabben — grote vlezige lobben. En de kroon? Een koninklijke kuif van strokleurige, borstelige veren. Geen wonder dat hij tot nationale vogel van het naburige Oeganda werd gekozen!
„Heb je wel eens een kroonkraanvogel zien dansen?”, roept Paul me van een afstand toe. Ik spoed me onmiddellijk in zijn richting. „Wat vind je daarvan?”, fluistert hij als we ze naderen. De kraanvogels staan naar elkaar toe gekeerd, de elegante koppen op en neer bewegend en buigend alsof ze meedoen aan een wonderlijk hofceremonieel. Met beide vleugels gespreid en hoog boven de rug geheven, een spanwijdte van meer dan een meter, maken ze verscheidene minuten achtereen plechtig danspassen en pirouettes.
„Is dit de baltsdans?”, fluister ik.
„Nee, dit doen ze op elk willekeurig moment”, antwoordt hij. „In het westen van Kenia heb ik een groep van minstens honderd kraanvogels zien dansen.”
In de paartijd geeft het mannetje echt een show weg. (Hoe zou hij immers ooit indruk op haar kunnen maken met zijn gewone, alledaagse dans?) Gekromd en naar voren gebogen, met slechts één vleugel omhooggeheven, gooit hij trots zijn kop naar achteren en laat, met naar de lucht wijzende snavel, de galmende, lage baltsroep horen. Bijzonder indrukwekkend!
Een laatste wonder
Met tegenzin pakken wij onze spullen bij elkaar en maken ons klaar om te vertrekken, niet in het minst vermoedend dat ons nog een gevederd wonder wacht. Plotseling flitst er een bijzonder eigenaardig uitziend gevleugeld schepsel door de lucht. Het is het mannetje van de paradijswida. Hij pronkt met zijn 28 centimeter lange staart, die hij speciaal in de paartijd draagt. De staart vertoont een grote opstaande verdikking, waardoor hij iets weg heeft van een rok met een queue. Met zo’n zware ’verticale stabilo’ is het niet te verwonderen dat de vogel, hoewel hij in een rechte lijn vliegt, golvend vooruitgaat. Hij lijkt op een vliegtuig waarvan de motor voortdurend afslaat! Toch maakt de vogel hoe dan ook een precisielanding; hij laat zich letterlijk uit de lucht vallen.
Onze tocht is veel te kort geweest om alles te zien wat er in dit gebied te zien is. Maar onze waardering voor de Schepper is erdoor vergroot en wij zien vol verlangen uit naar de tijd dat alle aardse schepselen vreedzaam samen zullen leven in een wereld met een volmaakt ecologisch evenwicht. — Hosea 2:18.
[Kaarten op blz. 23]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
KENIA
Bogoriameer
Nairobi
[Illustraties op blz. 24]
Gekuifde kraanvogels
Flamingo’s
Paradijswida
Zeearenden