Hoe de kokerboom aan zijn naam komt
WEINIG reizigers in de droge wildernisgebieden van zuidelijk Afrika zijn niet onder de indruk gekomen bij de aanblik van een kokerboom. „Met zijn grijs met wit gestreepte schors . . . staat hij kaarsrecht op de richels van de bergen, strak en waardig. . . . Het zijn net centurio’s van een vergeten legioen, gewend aan wind, zon, dorst en vriesnachten.” Zo beschrijft Jon Manchip White de kokerbomen in zijn boek The Land God Made in Anger.
In feite is de kokerboom een van de 150 aloësoorten die in zuidelijk Afrika groeien. Hoewel hij stekelige, vlezige bladeren heeft, groeit hij in gebieden waar weinig of geen regen valt. Hij blijft in leven door water in zijn stam op te slaan. Elk jaar in juni en juli kan de kokerboom de plaatselijke vogels, bijen en bavianen daardoor onthalen op een overvloedig feestmaal van nectar uit zijn heldergele bloemen.
Waarom wordt deze boom echter algemeen de kokerboom genoemd? Omdat de Bosjesmannen, de creatieve jagers en voedselverzamelaars uit zuidelijk Afrika, de takken van de boom gebruikten om er kokers voor hun pijlen van te maken. Deze vindingrijke uitvinders verwijderden het zachte, vezelige binnenste van de tak en lieten de harde buitenbast drogen tot een holle koker. Vandaar zijn naam — de kokerboom.