De communicatie arts/patiënt — Een sleutel tot succes
AAN het begin van de jaren ’80 was het duidelijk dat er krachtige initiatieven ontplooid moesten worden om een betere communicatie tot stand te brengen tussen Jehovah’s Getuigen en de medische wereld. En dus gaf het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen opdracht tot een programma om een werkbare verhouding met artsen en ziekenhuizen te bewerkstelligen.
Vertegenwoordigers van het internationale hoofdbureau van de Getuigen in New York bezochten veel grote ziekenhuizen in die stad. Dit werd door het ziekenhuispersoneel zeer op prijs gesteld en zo ontstond er een basis voor samenwerking in plaats van conflicten. Deze vertegenwoordigers hielden daarna overal in het land seminars in grote steden. Als onderdeel van deze seminars namen zij plaatselijke bedienaren van Jehovah’s Getuigen mee naar bijeenkomsten in medische centra in die omgeving, zodat deze bedienaren werden opgeleid om het programma voort te zetten. Tijdens hun verblijf in Chicago (Illinois) hadden zij een onderhoud met de redacteur van de Journal of the American Medical Association. Dit leidde tot een uitnodiging om een artikel te schrijven over de manier waarop artsen met Jehovah’s Getuigen kunnen werken.a
Na verloop van tijd werd er op grotere schaal in opleiding en schriftelijke instructies voorzien zodat Getuigen in andere landen met soortgelijke programma’s konden beginnen.b Zo werden er nadat er in Canada een seminar was gehouden, Ziekenhuiscontactcomités (daar later Medische Contactcomités genoemd) gevormd en opgeleid. Elk comité werd samengesteld uit christelijke ouderlingen die bereid en in staat waren met artsen, maatschappelijk werkers en ziekenhuispersoneel te praten.
Er werden afspraken gemaakt met enkele provinciale ministers van volksgezondheid, voorzitters van medische en ziekenhuisassociaties en anderen met invloedrijke posities op het terrein van de volksgezondheid. Deze ontmoetingen hebben ertoe bijgedragen dat de medische wereld gevoeliger werd voor de belangen van Jehovah’s Getuigen. Zo werd er een stevige basis gelegd voor een verdere dialoog in de toekomst.
Een gerede bron van hulp
Er werd al lang ingezien dat nauwkeurige informatie een grote hulp is om te verhinderen dat situaties uitlopen op een ernstige confrontatie tussen oprechte christenen en artsen die zich verlaten op een therapie met bloed. In het begin van de jaren ’60 werd op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen begonnen met het aanleggen van een lijst van artsen die tot medewerking bereid waren. Dat waren artsen die vertrouwd waren geraakt met medische alternatieven voor bloedtransfusie. Als later een plaatselijke arts of een ziekenhuis zich niet competent voelde een geval te behandelen, kon een comité de namen van andere artsen opvragen. De patiënt kon dan aan een ander medisch team overgedragen worden.
Een andere mogelijkheid was, dat de Ziekenhuiscontactcomités een telefonisch consult regelden tussen de plaatselijke chirurg en zijn ervaren collega’s. Soms stelde dit soort ogenblikkelijke communicatie artsen in staat hun behandeling te wijzigen, zonder onnodig risico voor de patiënt. Zo zijn de comités door als contact tussen de patiënt en de arts te dienen, experts geworden in het verlichten van de bezorgdheid bij zowel patiënt als arts als bloed noodzakelijk leek.
Bewijzen dat het werkt
Sonya was een vrolijk meisje van dertien jaar toen zij, begin 1989, hoorde dat zij een kwaadaardige tumor onder een van haar ogen had. Een chirurg zette Sonya en haar ouders de ernst van de noodzakelijke operatie uiteen. Daar de tumor snel groeide, mocht er niet met ingrijpen gewacht worden. Waarschijnlijk zou vervolgens chemotherapie nodig zijn en de arts zei dat haar ouders toestemming zouden moeten geven voor bloedtransfusies. Maar de familie kon daar niet in toestemmen wegens hun religieuze overtuiging. De bekwame chirurg bij wie Sonya onder behandeling was, was bereid de kwaadaardige tumor te verwijderen, vol vertrouwen dat zij dit zonder bloedtransfusie kon doen. Door het in het ziekenhuis gevoerde beleid kon de chirurg echter geen anesthesist krijgen om haar te assisteren.
Jonathan is de oudste zoon van Michael en Valerie. Eind 1989, toen hij zestien was, vertelden artsen hun dat Jonathan een zeer groot gezwel aan zijn milt had. De artsen maakten zich wat bezorgd zonder het gebruik van bloed te moeten opereren, maar zij deden het moedig en respecteerden het religieuze standpunt van de familie. In de herstelperiode deden zich ernstige complicaties voor. Jonathans bloeddruk daalde heel sterk en zijn bloedbeeld verslechterde. Bij een tweede operatie verloor hij veel bloed, waarbij zijn hemoglobinegehalte daalde tot 5,5, wat ongeveer een derde is van het normale peil. De internist riep uit: „De toestand van uw zoon gaat pijlsnel achteruit. We staan met de rug tegen de muur. Als hij geen bloed krijgt, gaat hij misschien dood!” Wat te doen?
In deze beide gevallen, die zich in Canada voordeden, verschaften contactcomités essentiële hulp. Een ervan verzekerde Sonya’s familie dat als het nodig mocht zijn, zij konden helpen met het treffen van regelingen om haar naar een medisch centrum in een ander land over te brengen. Maar kon er iets gedaan worden opdat de vrouwelijke chirurg die reeds vertrouwd was met haar geval, de operatie kon verrichten? In feite was deze chirurg zo aan Sonya gehecht geraakt dat zij aanbood deel uit te maken van het chirurgische team ongeacht waar de operatie uitgevoerd zou worden. Een overbrenging was echter niet nodig. Comitéleden slaagden erin plaatselijk medisch personeel over te halen met de chirurg samen te werken. Volgens die arts waren Sonya’s eerste woorden na de acht en een half uur durende operatie een bezorgde vraag of haar tegen haar wil bloed toegediend was. Wat een vreugde voor Sonya toen zij hoorde dat het antwoord nee was!
In Jonathans geval waren de artsen er toen zijn hemoglobinegehalte na twee operaties tot 5,5 daalde, van overtuigd dat een bloedtransfusie nodig was om zijn leven te redden, en zij stonden op het punt een gerechtelijke machtiging aan te vragen om hem tegen zijn wil bloed toe te dienen. Maar Jonathans vaste geloof en persoonlijke verzet tegen het gebruik van bloed zorgden voor vertraging. Jonathan vertelt: „Ik pakte dr. ——— bij zijn revers, keek hem aan en zei: ’Geen bloed of bloedprodukten, ALSTUBLIEFT!’” Het comité van ervaren broeders hielp regelingen te treffen dat Jonathan naar een grotere medische instelling werd overgevlogen. Toen hij daar aankwam, was er een comitélid in het ziekenhuis aanwezig, die reeds met de behandelende artsen gesproken had. De volgende dag stabiliseerde Jonathans hemoglobinegehalte zich. Zijn hemogram verbeterde gestaag en hij werd vijftien dagen na de eerste operatie uit het ziekenhuis ontslagen.
Het is duidelijk dat verwacht mag worden dat er nog veel meer succes geboekt zal worden, nu steeds meer mensen uit de medische sector en maatschappelijk werkers bereid zijn met de Ziekenhuiscontactcomités van Jehovah’s Getuigen samen te werken.
[Voetnoten]
a Herdrukt op blz. 27-29 van Hoe kan bloed uw leven redden?, uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.
b Er zijn nu 100 Ziekenhuiscontactcomités in de Verenigde Staten, 31 in Canada en 67 in Frankrijk, naast de comités in andere landen van de wereld.