Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
1. Levend van diefstal en roof, en . . . winst makend, zullen zij toch onheil over zich brengen (Spreuken 1:19)
7. Een man die melaats werd (2 Koningen 5:25-27)
9. Vermogen — dat gebruikt kan worden in de dienst voor God (Mattheüs 19:11)
11. Schoonvader van Esau (Genesis 26:34, 35)
12. Dit woord kan zijn gebruikt in de betekenis ’onvoldoende geklede’ (Jakobus 2:15)
13. Stad waar Jezus een begrafenisstoet gewaar werd (Lukas 7:11-15)
18. Uitingen die bij Jehovah altijd in harmonie zijn met rechtvaardigheid en gerechtigheid (Hosea 2:19)
21. Zijn zoon Gaddiël was een van de verspieders van het Beloofde Land (Numeri 13:1-16)
23. Deze bood een verlegen koning een schuilplaats (1 Samuël 10:22)
26. Vorm van omgang die niet meer mocht plaatshebben (1 Korinthiërs 5:11)
27. Zoon van het Horitische stamhoofd Sobal (Genesis 36:23)
28. Bekleed u met de . . . genegenheden van mededogen, goedheid, ootmoedigheid, zachtaardigheid en lankmoedigheid (Kolossenzen 3:12)
30. Zeker, zulke minnaars had het geestelijk overspelige Israël gehad, maar zij konden geen hulp bieden toen Jehovah rekenschap vroeg (Hosea 2:7)
Verticaal
1. Door de rijken te begunstigen, deden zij dit de arme aan (Jakobus 2:6)
2. Juda’s eerstgeborene, door Jehovah ter dood gebracht (Genesis 38:6, 7)
3. Ze moesten gespleten zijn; anders hoefde het voor de Israëlieten niet (Leviticus 11:1-8)
4. Wilde Saul doden (1 Samuël 26:5-12)
5. Het land der Vluchtelingschap lag er ten oosten van (Genesis 4:16)
6. Jesaja profeteerde tuchtiging voor Israël, de . . . van Jehovah’s dorsvloer (Jesaja 21:10)
8. Met zulk gesnoef deden zij het voorkomen alsof zij zeggenschap over de toekomst hadden (Jakobus 4:16)
10. Eerste getrouwe getuige van Jehovah (Genesis 4:1-10)
14. Hem werd aangedaan wat in 1 verticaal staat (Jakobus 2:6)
15. . . . Gods woorden op uw hart (Spreuken 6:20-23)
16. Een van degenen die buitenlandse vrouwen wegdeden (Ezra 10:26)
17. Onderricht mij, o Jehovah, en . . . mij op het pad van oprechtheid (Psalm 27:11)
19. Jezus gebruikte deze benaming in zijn gebed tot zijn Vader, Jehovah (Markus 14:36)
20. Wij leven thans in „het . . . der dagen” (Jesaja 2:2-4; Micha 4:1-4)
21. Verleent kracht aan (Jesaja 35:3)
22. Wee hem die . . . afneemt van de woorden van de boekrol van deze profetie (Openbaring 22:19)
24. Slechte, misdadige (Psalm 17:3)
25. Zoon die geboren werd toen Adam 130 jaar oud was (Genesis 5:1-3)
29. Nog niet deze afstand zal bezorgdheid over dagelijkse behoeften kunnen toevoegen aan het levenspad van de mens (Mattheüs 6:27)
OPLOSSING OP BLZ. 22
Oplossing horizontaal
1. ONRECHTVAARDIGE
7. GEHAZI
9. GAVE
11. ELON
12. NAAKTE
13. NAÏN
18. BARMHARTIGHEDEN
21. SODI
23. BAGAGE
26. ETEN
27. EBAL
28. TEDERE
30. HARTSTOCHTELIJKE
Oplossing verticaal
1. ONEER
2. ER
3. HOEVEN
4. ABISAÏ
5. EDEN
6. ZOON
8. AANMATIGEND
10. ABEL
14. ARME
15. BIND
16. ABDI
17. LEID
19. ABBA
20. LAATST
21. STERKT
22. IETS
24. SNODE
25. SETH
29. EL