„De vlinders der zeeën”
WAAR denkt u aan als iemand het woord „slak” noemt? De meesten van ons denken dan aan een slijmerig, glibberig dier dat zeker niet mooi, fascinerend of aantrekkelijk is.
Onder het zeeoppervlak leeft echter een soort slak die zo prachtig en kleurrijk is dat ze wel de vlinder der zeeën is genoemd. Hoewel de meeste van deze dieren schelploos zijn, vallen ze onder de familie der mollusken, waartoe ook de zeeschelpen behoren.
Welk dier het is? Het gaat om de zeenaaktslakken of Nudibranchia. Ze ontlenen hun naam aan het feit dat het weekdieren zonder schelp zijn en hun kieuwen dus blootliggen. De naam Nudibranchia betekent letterlijk „naakte kieuwen”.
Er valt voor diepzeebiologen nog veel over de zeenaaktslakken te leren, maar er zijn al meer dan 3000 soorten gevonden, waarvan de meeste geïdentificeerd zijn. Ze variëren in lengte van 0,3 centimeter tot meer dan 30 centimeter en behoren tot de felstgekleurde dieren die de zee huisvest, want er zijn er met helder oranje, blauw, purper, geel en rood pigment.
Zelfs de eimassa’s van sommige van deze dieren zijn prachtig van kleur en vorm. De eieren worden gelegd in linten die verschillende vormen vertonen en erg veel weg hebben van het fraaie lint dat u soms gebruikt als u een cadeautje feestelijk inpakt. Deze „linten” worden op hun kant gelegd en gevormd tot een grote eimassa die op een prachtige bloem lijkt. Hoe komt het dat vissen en andere rovers niet aan zo’n heerlijk uitziend hapje gaan knabbelen en het vervolgens oppeuzelen? Het omhulsel van het eitje bevat een stof waardoor het erg onsmakelijk voor rovers wordt, zodat de eieren beschermd zijn totdat ze zich tot planktonische larven ontwikkelen.
Volwassen zeenaaktslakken zijn niet alleen heel teer en opvallend, maar ook traag en zacht, een schijnbare paradox in het vaak harde, wrede en vijandige milieu van de oceaan — zozeer zelfs dat een diepzeebioloog eens zei: „Het simpele feit dat ze er zijn, doet je al versteld staan.” Ja, het is verbazingwekkend dat ze in hun milieu kunnen voortbestaan — en vooral dat zo’n smakelijk uitziend hapje niet wordt opgegeten door de vissen die worden aangetrokken door de felle kleuren en het vaak fladderige uiterlijk ervan.
Veel van de zeenaaktslakken met hun zachte lichaam zijn er speciaal op afgestemd zich te voeden met zeeanemonen en de aanverwante kwalpoliepen, organismen die beschikken over netelcellen in hun tentakels waarmee ze hun prooi verlammen en zich verweren tegen de meeste rovers. De zeenaaktslak is echter immuun voor hun steek en wanneer een van deze slakken de netelbatterijen eet die verantwoordelijk zijn voor de giftige steek van de anemoon of de kwalpoliep, transporteert haar opmerkelijke spijsverteringsstelsel enkele van deze giftige organismen naar andere delen van haar lichaam om ter eigen verdediging aangewend te worden tegen plunderaars die zich graag aan mevrouw Zeenaaktslak te goed zouden doen.
Andere zeenaaktslakken beschermen zich door slijm af te scheiden dat onaangenaam ruikt voor de mens en ze misschien onaantrekkelijk maakt voor vissen en andere rovers. Eén soort, de zeecitroen, heeft een speciale klier die als verdediging tegen rovers een zurig slijm afscheidt dat zwavelzuur bevat.
Men heeft wel gezien dat vissen een zeenaaktslak pakten maar ze dan „vol walging” weer uitspuwden. Waarnemingen van dit gedrag hebben wetenschappers tot de conclusie geleid dat de associatie van een felle kleur met een walglijke smaak en/of een steek in de mond een aangeleerde reactie teweegbrengt die de felgekleurde zeenaaktslak tot een uitnodiging voor een onsmakelijk maal maakt. Als dat geen krachtig verdedigingsmechanisme is!
Sommige zeenaaktslakken bezitten nog een ander verdedigingsmechanisme; ze kunnen zwemmen en zijn daardoor in staat aan het mogelijke gevaar van een hardnekkige vijand te ontsnappen. Andere kunnen delen van hun lichaam afstoten als ze worden aangevallen en maken dat ze wegkomen. Later groeien deze delen weer aan.
Iemand die de tere schoonheid van de zeenaaktslak in haar oceaanmilieu gadeslaat en iets te weten komt over haar mogelijkheden om in leven te blijven, krijgt eens te meer diep ontzag voor de grote verbeeldingskracht, wijsheid en creativiteit van Jehovah God (Openbaring 4:11). De psalmist bracht dit goed onder woorden toen hij schreef: „Hoe talrijk zijn uw werken, o Jehovah! Gij hebt ze alle in wijsheid gemaakt. De aarde is vol van uw voortbrengselen. Wat deze zee betreft, zo groot en wijd, daarin is dat wat zich roert zonder tal, levende schepselen, zowel klein als groot.” — Psalm 104:24, 25.
[Illustraties op blz. 16, 17]
Hiernaast: Spaanse sluier
Boven: Mexicaanse godin met eieren
Onder: Slakrop
[Illustraties op blz. 18]
Boven: Eieren van Spaanse danseres
Onder: Vechtlustige aeolio