Wie ondergingen de verschrikkingen van de holocaust?
AFGELOPEN juni stuurde het Amerikaanse Joodse Congres een open brief aan paus Johannes Paulus II die werd gepubliceerd in The New York Times van 26 juni. Er werd in geprotesteerd tegen de audiëntie die de paus had verleend aan de Oostenrijkse president, Kurt Waldheim, die ervan wordt beschuldigd betrokken te zijn geweest bij de moord op joden door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. Waldheim werd betiteld als het symbool „van hedendaagse pogingen om de holocaust te bagatelliseren, te vervalsen en te vergeten”.
Na gesteld te hebben dat de verschrikkingen van de holocaust niet ongedaan te maken waren, verklaarde de brief: „Maar het heiligste gebod van onze generatie is zeer zeker het gedenken: niet vergeten hoe stilzwijgen onverschilligheid werd, onverschilligheid medeplichtigheid werd, en uiteindelijk een nachtmerrie van afslachting werd voor miljoenen en nog eens miljoenen.” Waldheim, zo stond in de brief, „wenst de slachtoffers van de holocaust als laatste krenking de belediging van de vergetelheid aan te doen”. Vervolgens werd de paus gehekeld omdat hij „morele beginselen terzijde schoof” en Waldheim op het Vaticaan ontving. De brief vervolgde:
„Is het mogelijk, Uwe Heiligheid, dat in Waldheims vergeten [van de holocaust] eveneens een echo weerklinkt, hoe ver ook, van het kerkelijk vergeten? Heeft Uwe Heiligheid zich beziggehouden met de onverschilligheid van de katholieke kerken in Europa voor het lot van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog? Op geen van uw pauselijke bezoeken aan verscheidene Europese landen en aan de vernietigingskampen is een woord over dit onderwerp geuit. Is het, ondanks het buitengewone heldendom van zo veel individuele katholieken, geen feit dat de officiële kerken, net als zo’n groot deel van de rest van de wereld, er in hoofdzaak het stilzwijgen toe deden en de joden in hun doodsstrijd in de steek lieten? En als de kerk, waarnaar miljoenen opzien voor morele leiding, nog steeds haar houding tegenover haar verleden niet weet te bepalen, indien ze niet kan ingaan op de eisen van het heilig gedenken, welke hoop is er dan voor anderen?”
Natuurlijk schreeuwt de poging tot stelselmatige uitroeiing van miljoenen joden om gedenken. Maar denkt u eens een ogenblik na. Wordt als er in de brief over de holocaust wordt gesproken, deze niet uitsluitend voorgesteld als een joodse holocaust? Is het niet zo dat de katholieke kerken alleen beschuldigd zijn van onverschilligheid „voor het lot van de joden”? En hebben volgens deze brief niet ’een groot deel van de rest van de wereld en andere kerken’ „de joden in hun doodsstrijd in de steek” gelaten? Alleen de joden? Hebben naast de joden niet ook anderen de holocaust aan den lijve ondervonden?
Het boek The Forgotten Holocaust laat zien dat ook drie miljoen niet-joodse Polen slachtoffer van de holocaust waren. A History of the Modern World spreekt over de miljoenen anderen die erdoor geteisterd werden. Zelfs over de Duitse Jehovah’s Getuigen hebben buitenstaanders bericht dat er „zo’n 10.000 werden gevangengezet” en er ’meer dan 2000 in concentratiekampen zijn omgekomen’.
De holocaust mag daarom niet beschouwd worden als een aanval op de joden alleen. Hitler was vastbesloten elke groep mensen uit te roeien die niet boog voor zijn leer van de arische superioriteit. Jehovah’s Getuigen behoorden daarbij omdat zij geloofden in het bijbelse beginsel in Handelingen 17:26, 27 en het in praktijk brachten.