Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g87 22/8 blz. 11-15
  • Offers leiden tot rijke beloningen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Offers leiden tot rijke beloningen
  • Ontwaakt! 1987
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Geloof ontwikkelen
  • Offers van andere aard
  • Nieuwe toewijzingen
  • Een groter leed dan de dood
  • Trouwen en de reizende dienst
  • Mijn gezondheid gaat achteruit
  • Rijke beloningen
  • Het gezin voorbereiden op de dood van een gezinslid
    Ontwaakt! 1981
  • Dankbaar voor Jehovah’s onophoudelijke steun
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • De Bijbel verandert levens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • Door dicht tot God te naderen kon ik mijn problemen aan
    Ontwaakt! 1993
Meer weergeven
Ontwaakt! 1987
g87 22/8 blz. 11-15

Offers leiden tot rijke beloningen

’Lynette, m’n lieveling,

Ik wilde een brief voor je achterlaten omdat je zo’n lieve, dierbare dochter voor me bent geweest. Je zult het moeilijk hebben zonder moeder, lieveling, maar anderen zullen je helpen, en je pappa zal heel goed voor je zorgen. Help je zusjes — ik weet dat je dat zult doen — want ze zullen steeds meer op jou bouwen. Ik wil je bedanken, lieverd, voor alles wat je voor me hebt gedaan en dat je zo’n lief, gehoorzaam meisje bent en me nooit reden tot bezorgdheid hebt gegeven. Ik bid dat Jehovah me mag gedenken en dat we elkaar allemaal zullen weerzien in de Nieuwe Wereld.

Heel veel liefs van je liefhebbende Mamma.’

IK WAS pas dertien toen Moeder in januari 1963 aan kanker overleed. Ongeveer drie maanden voor haar dood vertelde zij mij en mijn jongere zusjes dat zij ging sterven. Ik was dankbaar dat zij de dingen niet voor ons verzweeg maar vriendelijk de situatie uitlegde en vervolgens stappen deed om ons op de komende veranderingen voor te bereiden.

Ook al was Moeder bedlegerig, toch leerde zij mij koken, en ik maakte onder haar leiding alle maaltijden klaar. Zij liet mij ook zien hoe ik de naaimachine moest gebruiken, de haren van het gezin moest knippen, lunchpakketten voor school moest klaarmaken, en nog veel meer. Zij legde uit dat als zij er niet meer was, ik offers zou moeten brengen om mijn jongere zusjes te helpen.

Ik herinner mij dat ik mij erover verbaasde hoe kalm Moeder was. Nu weet ik dat dit kwam door haar krachtige vertrouwen in de opstandingsbelofte. Een paar dagen na haar dood gaf Vader elk van ons, meisjes, een brief die Moeder ons geschreven had vlak voor zij stierf. Een gedeelte van mijn brief staat hierboven afgedrukt. U kunt u mijn tranen indenken toen ik die brief las, maar ondanks mijn prille leeftijd werd ik er geestelijk door gesterkt. Slechts een paar maanden later droeg ik mij aan Jehovah op en in augustus 1963 werd ik gedoopt.

Geloof ontwikkelen

Mijn ouders waren in 1956 Jehovah’s Getuigen geworden, een jaar nadat wij van een kleine zuivelboerderij verhuisd waren naar Sydney (Australië). Helaas werd mijn houding nogal sceptisch, haast atheïstisch, vanwege de manier waarop de bijbelverhalen op de zondagsschool verteld werden. Ik had in mijn geest bijbelse personages op één lijn gesteld met sprookjes en andere verhalen waarvan ik wist dat ze niet waar waren. Ik was zelfs God als louter een mythische figuur gaan beschouwen. De oprechtheid van de Getuigen begon echter indruk op mij te maken, en ik bedacht dat als zij en mijn moeder in God en de bijbel geloofden, er toch iets van waar moest zijn.

Toen ik elf jaar was, begon de gemeente het boek „Uw wil geschiede op aarde” te bestuderen — een vers-voor-versbespreking van gedeelten van het bijbelboek Daniël. Deze profetieën en de wijze waarop ze tot in details in vervulling gingen, maakten werkelijk indruk op mij. Andere gemeentevergaderingen handelden over het feit dat de bijbel in harmonie is met ware wetenschap. Sommige van mijn twijfels begonnen te verdwijnen en geleidelijk aan ging ik echt in God geloven.

Offers van andere aard

Zoals Moeder gezegd had, was het niet altijd gemakkelijk om mij van mijn gezinsverantwoordelijkheden te kwijten en mijn twee jongere zusjes te helpen. Iets van mijn eigen jeugd ging verloren. Niettemin werd dit door de ongewoon hechte band die er tussen ons drieën ontstond en het stilzwijgende vertrouwen dat mijn vader in mij stelde, meer dan gecompenseerd. Maar er zouden nog offers van andere aard van mij gevraagd worden.

Tijdens mijn schooljaren raakte ik dol op muziek en toneelspelen. Ons gezin was muzikaal. Wij, kinderen, speelden piano, zongen, dansten en gaven concerten tot wij erbij neervielen. Ik had al vanaf mijn zevende jaar belangrijke rollen in schoolprodukties gekregen. De leraren drongen er bij mij op aan naar de toneelschool te gaan. Maar ik dacht aan de woorden van een van de liederen die wij op onze gemeentevergaderingen zongen: „Elk talent zal steeds tot Zijn beschikking staan.” Dus ging ik niet op hun krachtige aansporingen in, ook al was dat niet gemakkelijk.

Ik hield ook van leren en behaalde daardoor hoge cijfers. Toen ik echter een universitaire opleiding afwees omdat ik er de voorkeur aan gaf al mijn tijd aan het predikingswerk te besteden, bracht men mij bij de beroepskeuzeadviseur. „Dat is toch zonde van je capaciteiten”, zei hij, terwijl hij mij trachtte over te halen voor een medische carrière te kiezen. Maar ik heb nooit spijt gehad van mijn besluit.

Na mijn schooltijd heb ik anderhalf jaar op de nieuwe computerafdeling van een regeringsdepartement gewerkt. Toen ik mijn baan opzei, kreeg ik een dubbel salaris en de leiding over die afdeling aangeboden. Dit was een verleidelijk aanbod, vooral voor een zeventienjarige! Ik hield echter mijn doel voor ogen en ging op 1 juni 1966 als gewone pionierster in de volle-tijddienst.

Nieuwe toewijzingen

Toen ik in april het jaar daarop als speciale pionierster aangesteld werd, was ik overgelukkig een toewijzing voor mijn eigen gemeente in Sydney te ontvangen. Dit gaf mij de gelegenheid wat langer bij mijn zusjes te blijven. Ik was hier dankbaar voor, aangezien ik hoopte bij of in de buurt van ons gezin te kunnen blijven totdat mijn zusjes beiden getrouwd en onder de pannen waren.

In 1969 werd ik samen met Enid Bennett, die de daaropvolgende zeven jaar mijn pionierspartner zou zijn, aan de nabijgelegen gemeente Peakhurst toegewezen. Twee jaar later verhuisde mijn vader naar het kleine, pittoreske stadje Tumut, iets ten zuidwesten van Sydney, omdat daar behoefte aan een ouderling was. Het Genootschap was zo vriendelijk om Enid en mij daar ook heen te laten gaan. Mijn jongste zusje Beverley ging nu ook pionieren en stond samen met ons in de dienst.

Een groter leed dan de dood

Omstreeks deze tijd vond de droevigste gebeurtenis van mijn leven plaats. Mijn zuster Margaret en haar verloofde werden uit de christelijke gemeente gesloten. Dit was een hartverscheurend moment, want nu werd de ongewoon hechte band die ik sinds de dood van onze moeder met Margaret had, verbroken. Ik wist dat Moeder zich veilig in Jehovah’s herinnering bevond. Maar mijn zus had — althans voorlopig — Jehovah’s goedkeuring verloren. Ik moest Jehovah vurig smeken of ik deze verpletterende slag te boven mocht komen, zodat ik hem met een mate van vreugde kon dienen, en hij verhoorde mijn gebed.

Volledig elke omgang met Margaret verbreken, vormde een beproeving op onze loyaliteit aan Jehovah’s regeling. Ons gezin was daardoor in de gelegenheid te tonen dat wij werkelijk geloofden dat Jehovah’s manier de beste is. Tot onze vreugde werden Margaret en haar man twee jaar later in de gemeente hersteld. Wij hadden geen flauw besef van de krachtige uitwerking die ons vastberaden standpunt op hen had gehad, zoals Margaret mij later vertelde:

„Ik weet zeker dat als jij, Paps of Bev onze uitsluiting licht hadden opgevat, ik niet zo snel stappen tot herstel zou hebben gedaan als nu. Dat wij volledig afgesneden waren van de mensen die wij liefhadden en van nauw contact met de gemeente, riep een sterk verlangen op om berouw te hebben. Doordat ik alleen stond, ging ik beseffen hoe verkeerd mijn handelwijze wel was en hoe ernstig het was dat ik Jehovah de rug had toegekeerd.”

Wat een zegen dat wij opnieuw met het hele gezin gezamenlijk Jehovah dienden! En hoe dankbaar waren wij voor het uiteindelijke geluk dat wij genoten omdat wij ons loyaal aan bijbelse beginselen hadden gehouden!

Trouwen en de reizende dienst

Later leerde ik Alan kennen, een pionier en christelijke ouderling. Wij trouwden in november 1975, zes maanden na het huwelijk van mijn zus Beverley. Na twee jaar pionieren kregen wij in januari 1978 een uitnodiging voor de reizende dienst, wat betekende dat wij elke week een andere gemeente moesten bezoeken om die geestelijk op te bouwen. Onze toewijzingen hebben ons van het gemoedelijke tempo van de steden in het binnenland van Queensland naar de roerige, kosmopolitische gebieden van Melbourne en Sydney gevoerd.

Voor mij was leven uit koffers en elke week in een ander huis logeren een hele uitdaging. Maar dan redeneerde ik bij mijzelf: ’Ik moet blij zijn dat wij koffers hebben en dingen om erin te doen. Veel mensen hebben zelfs dat niet.’ Ook is het niet gemakkelijk geweest dat mijn man veel avonden weg was om gemeentelijke verplichtingen na te komen. Maar, hield ik mijzelf voor, er zijn zo veel vrouwen die niet altijd gezelschap van hun man hebben, en dat is in de meeste gevallen niet wegens hun betrokkenheid bij het nobele werk van de Heer.

De allergrootste moeilijkheid is echter mijn slechte gezondheid geweest. Al vanaf mijn kinderjaren had ik geregeld een zere keel, last van mijn spieren en gewrichten, problemen met mijn luchtwegen en een algeheel gevoel van zwakte. Artsen en natuurgenezers slaagden er niet in de oorzaak van het probleem vast te stellen.

Naarmate de jaren verstreken, verergerden de bovengenoemde symptomen en gingen ze gepaard met voortdurende rug- en nekpijn, kou, extreme vermoeidheid, huiduitslag, opgezwollen klieren, voortdurende misselijkheid en een steeds terugkerende blaasontsteking. Ik begon te denken dat zulke kwaaltjes er nu eenmaal bij hoorden en dat er niets anders opzat dan ze te verduren, dus klaagde ik niet.

Eén zo’n situatie deed zich voor vlak nadat wij onze eerste kringtoewijzing hadden aanvaard. Telkens wanneer ik meer dan een uur liep, kreeg ik een bloedvloeiing die pas ophield als ik ging zitten. Aangezien wij volgens ons schema elke morgen drie uur moesten lopen bij het van-huis-tot-huiswerk, vroeg ik mij af wat ik hiermee aan moest. Ik legde het voor in gebed. Het resultaat?

Drie maanden lang werd ik elke ochtend binnengevraagd en uitgenodigd te gaan zitten. Toen dit fysieke probleem ophield, hielden ook de uitnodigingen op! Aangezien Australiërs niet de gewoonte hebben onbekenden die aan de deur komen binnen te nodigen, ben ik ervan overtuigd dat dit meer dan louter toeval was.

Mijn gezondheid gaat achteruit

Tegen de tijd dat ik de dertig gepasseerd was en een paar jaar reizende dienst achter de rug had, verslechterde mijn gezondheid nog meer. Ik had zo’n twee weken nodig om bij te komen van een paar dagen concentratie op een congres. Als ik één nacht laat naar bed ging, had ik daar wekenlang hinder van. Ik ging als een berg tegen een ochtend in de velddienst opzien. Elke morgen was ik omstreeks tien uur uitgeput. Tegen elven voelde ik mij akelig slap van binnen en werd mijn geest troebel. Tegen twaalven verlangde ik er wanhopig naar te kunnen gaan liggen. En dan moest de middag nog beginnen. Anderen ging het schijnbaar gemakkelijk af en zij leken nog energie over te hebben. Waarom ik dan niet?

Ik viel af tot ik nog maar 42 kilo woog, en als ik niet met griep in bed lag, voelde ik mij alsof ik griep zou krijgen. Ik kon geen nacht slapen zonder twintig of meer keer mijn bed uit te moeten omdat ik last van mijn blaas had. Ik wilde gaan slapen en niet meer wakker worden! Vele malen smeekte ik in gebed: „Jehovah, alstublieft, ik weet dat ik niets verdien, maar ik wil alleen maar gezond zijn om u te dienen. Wilt u mij helpen erachter te komen wat mijn probleem is? Zo niet, help mij dan alstublieft om te volharden.”

Ik was vastbesloten de volle-tijddienst niet zonder meer op te geven. Dus vroeg ik Jehovah om specifieke hulp, allereerst of wij aan een caravan mochten komen, aangezien ik snakte naar een eigen onderkomen. Ik zei niets over mijn verzoek tegen Alan, maar op de eerste de beste vergadering kwam er een broeder naar ons toe die ons zijn caravan aanbood. Mijn volgende verzoek betrof een overplaatsing naar een koelere streek, en kort daarna werd ook dit gebed verhoord toen wij aan Sydney werden toegewezen.

U kunt het geloven of niet, maar binnen twee maanden na onze aankomst in Sydney kreeg ik een boek in handen dat symptomen beschreef die nauwkeurig met de mijne bleken overeen te stemmen! Verbazingwekkend genoeg was dit boek geschreven door een arts die zijn praktijk in het gebied van onze kring had. Na vele onderzoeken kreeg ik te horen dat ik een laag bloedsuikergehalte had en dat ik voor veel dingen allergisch was, waaronder schimmels, gist, bepaalde chemische luchtjes, katten, honden en veel voedingsmiddelen.

Het duurde acht ellenlange maanden voordat ik onder leiding van deze arts mijn voedselallergieën opgespoord had en ik vrij was van symptomen. De uitwerking die dit op mijn fysieke gezondheid en mijn hele kijk op het leven had, valt moeilijk te beschrijven. De dienst en de gemeentevergaderingen werden weer een waar genoegen. Ik had het gevoel dat ik van bijna dood weer levend was geworden! Spoedig nam ik weer toe in gewicht, en degenen die mij een tijdje niet gezien hadden, stonden verbaasd over de verandering.

Rijke beloningen

Wat zijn de 24 jaren na Moeders dood omgevlogen! En wat ben ik dankbaar dat ik 21 jaar daarvan in de volle-tijddienst heb doorgebracht! Er zijn weliswaar moeilijkheden geweest, maar zonder die moeilijkheden had ik misschien niet dezelfde mate van waardering voor Jehovah’s liefde ontwikkeld.

Bij nader inzien lijkt elk offer dat ik gebracht heb onbeduidend in vergelijking met de reeds ontvangen beloningen. Hiertoe behoren de kostbare relaties met heel veel lieve vrienden en vooral met mijn eigen familie. Ter illustratie: mijn zus Margaret schreef mij kort nadat Alan en ik in de reizende dienst begonnen waren:

„Heel veel dank omdat je bent zoals je bent. Ik denk niet dat ik dit ooit eerder heb gezegd, en als dat zo is dan spijt het me, maar dank je wel dat je je best hebt gedaan om Bev en mij groot te brengen en dat je Mams plaats hebt ingenomen. Ik besef nu dat dit van jouw kant heel wat liefde en inspanning en zelfopoffering gekost heeft. Ik heb dikwijls aan die jaren gedacht en gebeden of je gezegend mocht worden, en ik weet dat je gezegend bent.”

Dan zijn er de toekomstige beloningen — vooral het kostbare vooruitzicht van de opstanding van onze geliefden die in de dood slapen. Ja, er vloeien ook nu nog enkele tranen wanneer ik Moeders afscheidsbrief herlees. Haar gebed is ook het mijne, „dat Jehovah [haar] mag gedenken en dat we elkaar allemaal zullen weerzien in de Nieuwe Wereld”. — Zoals verteld door Lynette Sigg.

[Inzet op blz. 13]

Ik wist dat Moeder zich veilig in Jehovah’s herinnering bevond

[Illustratie op blz. 12]

Van links naar rechts: Lynette, Margaret en Beverley, drie jaar voordat hun moeder stierf

[Illustratie op blz. 15]

Lynette en haar echtgenoot, Alan, die thans in Australië dienen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen