„Ik dacht dat een bloedtransfusie leven betekende, niet de dood”
DIE woorden werden geuit door Sal Cirella, de vader van een hepatitis-slachtoffer, in het op 11 december 1986 uitgezonden Amerikaanse televisieprogramma 20/20. Zijn dochter Tracy kreeg — „omdat het in het ziekenhuis de gewoonte is” — een transfusie toegediend, hoewel het tegen de wens van de ouders indruiste. (Tussen haakjes, zij waren geen Jehovah’s Getuigen, die op religieuze gronden transfusies weigeren.) Zij liep hepatitis op, en haar leven kon slechts worden gered door een levertransplantatie.
Tracy werd getroffen door een vorm van hepatitis die bekendstaat als non-A-non-B-hepatitis. In ditzelfde tv-programma werd bericht: „Elk jaar lopen meer dan 190.000 Amerikanen de ziekte op door middel van een transfusie. Ze heeft jaarlijks bij bijna 10.000 personen blijvende leverbeschadiging of de dood tot gevolg. Tracy stierf er bijna door.”
Een chirurg die in 14.000 gevallen zonder bloed heeft geopereerd, verklaarde tevens: „Ik zie mensen keer op keer transfusies toedienen aan personen die ze helemaal niet nodig hebben, mensen die in de grond der zaak hun eigen slordigheden — zo niet ernstiger fouten — bedekken door bloedtransfusies te gebruiken. Ik vind dat volslagen onaanvaardbaar.” Een andere arts, een voormalige functionaris van de FDA (een Amerikaanse overheidsinstantie voor controle van levensmiddelen en medicijnen) verklaarde: „Ik geloof dat alle bloedprodukten onnodig veel worden gebruikt. Ik denk dat er voldoende bewijzen zijn om dat hard te maken. Wat moet veranderen, is het gedrag van de arts, wat zij voor een patiënt bestellen. En één ding is zeker, zij bestellen te veel bloed.”