Een tijd om te bezitten, een tijd om te delen
DEZE roodkeelsialia zit hoog op haar takje en voelt zich zeker. Haar mannetje is zeer waaks. Bij de nadering van een ander mannetje verandert hij in een gevederde furie en verjaagt de indringer van „zijn” bezit. Het is een bezitterig kereltje.
’s Mensen „beste vriend”, de hond, is nog een voorbeeld van bezitterigheid. Als u denkt van niet, probeert u dan maar eens een bot weg te nemen dat van hem is!
Dit trekje treedt zelfs aan het licht bij jonge kinderen. Hebt u ooit twee kleintjes gadegeslagen die met hetzelfde stuk speelgoed wilden spelen? De een heeft het speelgoed in de hand. De ander probeert het af te pakken, maar de eerste weigert luidruchtig los te laten. Het is „zijn” speelgoed, en hij is vastbesloten om dat zo te houden.
Is het verkeerd om uw bezittingen te willen beschermen? De bijbel laat zien dat het niet onjuist is persoonlijke bezittingen te hebben. Mensen zullen hun eigen huizen moeten bouwen en erin wonen, wijngaarden planten en de vruchten ervan eten, onder hun eigen wijnstok en olijfboom verblijven (Jesaja 65:21; Micha 4:4). De roodkeelsialia was daar het eerst en heeft zijn territorium nodig om zijn gezin van voedsel te voorzien. De hond kreeg het bot en moet voor zichzelf zorgen.
Maar het kind en zijn speelgoed? Het is van hem, maar als hij het niet met andere kinderen deelt, zal hij geen speelkameraadjes hebben. Hij zal gelukkiger zijn als hij zijn bezittingen deelt.
Christenen moeten niet vergeten ’goed te doen en anderen met hen te laten delen’. De rijken worden aangemoedigd „vrijgevig te zijn, mededeelzaam”. Een dergelijk delen schenkt veel geluk. — Hebreeën 13:16; 1 Timótheüs 6:18; Handelingen 20:35.
Er is een tijd om te bezitten en een tijd om met anderen te delen. Alles welbeschouwd dienen wij echter te bedenken dat ’de aarde en dat wat haar vult, aan Jehovah behoort’ (Psalm 24:1). Leer die dingen die tijdelijk tot uw beschikking staan, zo te gebruiken dat het hun werkelijke Eigenaar, Jehovah God, behaagt.
Koning David van Israël was een zeer rijk man, maar hij verloor de realiteit niet uit het oog en zei tot God: „Van u, o Jehovah, is de grootheid en de macht en de luister en de voortreffelijkheid en de waardigheid; want alles in de hemel en op de aarde is van u. Van u is het koninkrijk, o Jehovah . . . De rijkdom en de heerlijkheid zijn vanwege u.” — 1 Kronieken 29:11, 12.
In plaats van op hebzuchtige wijze zijn bezittingen voor zichzelf te behouden, schonk David een grote bijdrage voor de bouw van een tempel voor Jehovah’s aanbidding. Zocht hij een of andere speciale erkenning voor zijn gulheid? Neen. In plaats daarvan besefte hij dat het in zekere zin helemaal niets met gulheid te maken had. „Wie toch ben ik en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden behouden om aldus vrijwillige gaven te schenken? Want alles komt van u, en uit uw eigen hand hebben wij het u gegeven.” — 1 Kronieken 29:14.
Is Davids goede houding niet de houding die wij allen zouden moeten hebben?