Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g86 22/9 blz. 16
  • Gods Woord — de beste verdediging!

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gods Woord — de beste verdediging!
  • Ontwaakt! 1986
  • Vergelijkbare artikelen
  • Moet ik mij bekwamen in zelfverdediging?
    Ontwaakt! 1995
  • Hoeveel waarde hecht u aan geld?
    Ontwaakt! 2015
  • Is geld de wortel van alle kwaad?
    Vragen over de Bijbel
  • Hoe kan ik wat geld verdienen?
    Wat jonge mensen vragen — Praktische antwoorden, Deel 2
Meer weergeven
Ontwaakt! 1986
g86 22/9 blz. 16

Gods Woord — de beste verdediging!

ALS iemand zou proberen u te beroven, wat zou u dan doen? Snel uw bezittingen afgeven of terugvechten in een poging uw eigendom te beschermen? In de huidige gewelddadige wereld geloven velen dat men gerechtigd is geweld te gebruiken om zijn bezittingen te beschermen. Het bezit van een vuurwapen of een opleiding in een vechtsport wordt beschouwd als een beveiliging tegen aanvallen. Maar werpen ze werkelijk de beste resultaten af? Dikwijls hebben mensen het achteraf betreurd wanneer zij wapens hadden gebruikt. In tegenstelling hiermee echter zei de wijze koning Salomo: „Zeg niet: ’Ik wil kwaad vergelden!’ Hoop op Jehovah, en hij zal u redden.” — Spreuken 20:22.

Onlangs ging een personeelslid van het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn, New York, naar het huis van vrienden in Brooklyn. „Toen ik voor het gebouw stond, kwam een man in een legerjack met een mes op mij afgestormd en eiste: ’Je geld! Kom op met al je geld!’

Toen hij zag dat zijn overval mij niet van de wijs bracht, commandeerde hij: ’Ga naar binnen! Ik wil niet dat iemand iets hoort. Vooruit, naar binnen!’ Toen wij eenmaal binnen stonden, eiste hij mijn portefeuille. Daar zat maar twee dollar in. Terwijl hij de rest van de inhoud doorkeek, legde ik hem uit dat ik een van Jehovah’s Getuigen was.

Hij deed alsof hij mij niet hoorde en eiste meer geld. Toen hij vervolgens zijn vrije hand in de zakken van mijn broek stak terwijl hij met de andere hand zijn mes omklemd hield, vond hij een briefje van twintig dollar dat ik weggestopt had. In de hoop nog meer te vinden, zette hij zijn fouillering voort en smeet alles wat hij in mijn zakken vond op de grond. ’Wat doe je met het geld?’ vroeg ik. ’Is het voor drugs?’ ’Ja’, antwoordde hij. Toen legde ik uit: ’Weet je dat je nu dood zou zijn als ik geen getuige van Jehovah was? Ik heb een karate-opleiding gehad. Je bent meer dan eens onvoorzichtig geweest met dat mes.’

Toen ik naar de bijbel verwees om mijn standpunt als een van Jehovah’s Getuigen te verduidelijken, viste hij een boekje uit de voorzak van zijn jack en zei: ’Kijk, ik heb een bijbel!’ Het was een heel klein zakbijbeltje.

’Daar heb je dan toch blijkbaar niet veel aan’, zei ik. ’Je past niet eens toe wat erin staat.’ Ik pakte zijn bijbel en las hem Matthéüs 6:33 en Johannes 17:3 voor en beklemtoonde hoe belangrijk het was dat hij niet alleen kennis van de bijbel in zich opnam, maar die ook in zijn leven toepaste.

Hij bekende dat hij twee maanden tevoren uit de gevangenis was vrijgelaten. Zonder werk en in geldnood was hij gaan stelen. Ik las hem 1 Korinthiërs 6:9, 10 voor en toonde hem dat dieven Gods koninkrijk niet zullen beërven. Ook zei ik: ’Misschien loop je op een dag tegen iemand aan die gek genoeg is om voor zijn geld te vechten, en dan draait het er misschien op uit dat jij hem doodt of hij jou, of je wordt uiteindelijk gepakt en belandt weer in de gevangenis!’ ’Zeg dat toch niet!’ riep hij angstig uit. Ik herinnerde hem eraan dat ’wie naar het zwaard grijpen, door het zwaard zullen vergaan’. — Matthéüs 26:52.

Klaarblijkelijk onder de indruk van de schriftplaatsen bood hij zijn verontschuldigingen aan. Hij liet zijn hoofd hangen en zag wat hij op de grond had gegooid toen hij mijn zakken leegde. Schaapachtig raapte hij alles op en gaf het mij aan, maar hij hield het geld. Terwijl hij naar de deur liep, vroeg hij of ik voor hem wilde bidden. Ik legde uit: ’Wat je mij hebt aangedaan, was verkeerd, maar het ergst van alles heb je tegen Jehovah gezondigd. Het is een zaak tussen jou en hem.’

Toen hij wegging, vroeg hij mij of ik hem een gunst wilde bewijzen. Hij strekte zijn handpalm uit met het mes erin en vroeg: ’Zou u dit voor mij willen weggooien? Van nu af aan beroof ik geen mensen meer.’ Ik nam het mes aan en gaf hem er een exemplaar van Ontwaakt! voor in de plaats. — Zoals verteld door Ricky Hanagami.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen