Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g86 22/9 blz. 14-15
  • Onderzeeërs en bathyscafen in de natuur

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Onderzeeërs en bathyscafen in de natuur
  • Ontwaakt! 1986
  • Vergelijkbare artikelen
  • De camouflagekunsten van de zeekat
    Ontwaakt! 2016
  • De reuzeninktvis — ontzagwekkend schepsel van de zee
    Ontwaakt! 1971
  • Wie was de eerste die het toepaste?
    Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping?
  • Aardgas — Energie voor het huishouden
    Ontwaakt! 2010
Meer weergeven
Ontwaakt! 1986
g86 22/9 blz. 14-15

Onderzeeërs en bathyscafen in de natuur

„Onze trots op de jongste ontdekkingen van de mens moet getemperd worden door de wetenschap dat andere dieren zich er misschien al sedert onheuglijke tijden van bedienen.” — Scientific American, juli 1960.

„Zijn onzichtbare hoedanigheden worden van de schepping der wereld af duidelijk gezien, omdat ze worden waargenomen door middel van de dingen die gemaakt zijn, ja, zijn eeuwige kracht en Godheid” (Romeinen 1:20). De wijsheid van Jehovah God wordt beslist onthuld in deze drijfvermogen bezittende zeedieren!

● DE GEKAMERDE NAUTILUS. Duizenden jaren voordat de mens op aarde was verschenen en dagdroomde over zoiets wonderbaarlijks als het varen onder het oppervlak van de zee, voer de nautilus al onderzee. Vanaf zijn vroegste jeugd bouwt hij aan zijn eigen huis, waaraan hij grotere kamers toevoegt naarmate hij groeit. De ontruimde kamertjes metselt hij dicht en laat hij achter zich, totdat zijn prachtige schelp tot een spiraal met een diameter van ongeveer 25 cm is uitgegroeid. Voor het grootste deel is de schelp versierd met glanzende bruine zebrastrepen, en in de nieuwste en grootste kamer, die met haar opening op zee uitkomt, woont de nautilus. Inmiddels heeft hij misschien wel dertig of meer kamertjes achter zich gelaten, voormalige woningen uit vroeger dagen. Maar bij elke verhuizing naar een nieuw en groter onderkomen liet de nautilus een stukje achter van zichzelf, een buisachtige siphunculus (Latijn voor „buisje”) of weefselstreng. En telkens als de nautilus een kamer afscheidde met een tussenschot, liet hij daar een gaatje in vrij. Door deze openingen slingert zich de siphunculus, een buisvormig verlengstuk van de nautilus, door alle kamers heen, helemaal tot aan het eerste piepkleine kamertje. Deze kamers en de siphunculus die erdoorheen loopt, geven de nautilus zijn onderzeeërseigenschappen. De kamers dienen als drijftanks. Ze zijn met gas gevuld. De siphunculus kan water toevoegen of water verwijderen. Hij kan de gas-waterverhouding wijzigen en zo het drijfvermogen veranderen. Op die manier kan de nautilus dicht onder het oppervlak drijven of op een diepte van wel 650 meter, of willekeurig ergens daartussen zweven.

● DE INKTVIS. De gewone inktvis (zeekat) wordt in de Middellandse Zee en het oosten van de Atlantische Oceaan aangetroffen. Een groot exemplaar kan een lichaam hebben van wel 60 cm lengte, terwijl zijn acht armen nog eens 25 tot 30 cm uitsteken en bovendien twee lange tentakels nog tot voorbij deze armen kunnen uitschieten om voedsel te grijpen. Om zich te verplaatsen, heeft hij langgerekte vinnen langs zijn lijf, plus een trechter of sipho die voor straalaandrijving zorgt. Evenals de nautilus met zijn kamertjes bezit hij een soort onderzeeërsmechanisme om zijn drijfvermogen te variëren. Maar in tegenstelling tot de schelpkamers van de nautilus is zijn drijfmechanisme gemaakt van been, het inktvisseschild. Het bevindt zich vlak onder de huid langs de rugzijde van de inktvis. Het heeft een zachte, kalkachtige structuur en bestaat uit wel honderd door zuiltjes gescheiden dunne platen die doorzeefd zijn met vele afzonderlijke kamertjes. Dit been dient als de drijftank van de inktvis. Naarmate de inktvis groeit en zwaarder wordt, worden er kamers aan het inktvisseschild toegevoegd om het drijfvermogen op te voeren. (Tussen haakjes, dit inktvisseschild, ook wel zeeschuim genoemd, wordt dikwijls in een vogelkooitje gestoken.) Door een proces van osmose kan de inktvis water uit de holten van zijn schild pompen of er water in laten. Op deze manier varieert hij zijn drijfvermogen om in de oceaan te stijgen of te dalen. In beginsel zijn de holten in zijn schild te vergelijken met de watertanks van de onderzeeër. Inktvissen vertoeven gewoonlijk op een diepte van 30 tot 80 meter, maar kunnen dalen tot 200 meter.

● DE REUZENINKTVIS. Deze reusachtige diepzeebewoner zou wel eens de bron kunnen zijn van de legendarische verhalen over zeemonsters die schepen in hun tentakels vangen. Er zijn lijven gevonden van meer dan 3 meter — met vangarmen meegerekend bijna 20 meter! Hun ogen zijn de grootste in de dierenwereld die men kent — ze hebben een doorsnede van wel 40 cm! Hij verplaatst zich snel door straalaandrijving. Net als de nautilus en de gewone inktvis kan hij zich op verschillende diepten instellen, maar hij doet het op een andere manier. Het bovenste tweederde gedeelte van zijn lichaam bestaat uit een grote holte, de mantelholte. Deze is met een vloeistof gevuld. Als deze vloeistof verwijderd wordt, zinkt de inktvis. Met behulp van de vloeistof regelt het dier zijn dichtheid ten opzichte van het zeewater. Analyse heeft aangetoond dat ze een zeer hoge concentratie ammoniak bevat, ongeveer 9 gram per liter. Waarom? In tegenstelling tot de zoogdieren scheidt de inktvis zijn stikstofhoudende afvalstoffen uit in de vorm van ammoniak in plaats van als ureum. Deze ammoniak diffundeert uit de bloedbaan in de vloeistof van de mantelholte, waar zich ammoniumionen vormen. Dit zijn ionen met een zeer laag gewicht, die de vloeistof lichter maken dan het zeewater, zodat het dier kan drijven. Het tijdschrift Scientific American vergelijkt het met Auguste Piccards bathyscaaf, die afdaalt in de oceaandiepten. Gevuld met benzine — die lichter is dan zeewater — draagt de grote kamer van de bathyscaaf de observatiegondel die eronder hangt. Op overeenkomstige wijze dient de vloeistof in de mantelholte van de reuzeninktvis als drijfinstrument. Maar de inktvis was er het eerst, omdat zijn Schepper hem het eerst had bedacht.

● DE VISSEN MET ZWEMBLAAS. Veel vissen hebben een met gas gevulde zwemblaas. Wanneer de vis daalt, perst de druk van het water het gas samen en verkleint de zwemblaas. Stijgt de vis, dan zet het gas uit en wordt de blaas groter. Als de omvang van de blaas verandert, verandert ook het formaat van de vis. Als hij daalt, wordt hij dus kleiner door de druk, hetgeen betekent dat zijn gemiddelde dichtheid stijgt en hierdoor vermindert zijn drijfkracht. Wanneer hij stijgt, neemt zijn volume toe, waardoor zijn gemiddelde dichtheid afneemt en hierdoor neemt het drijfvermogen toe. Zo heeft de zwemblaas de functie de dichtheid van de vis gelijk te houden aan de dichtheid van het zeewater rondom hem, waardoor de vis op elke diepte kan zweven. Maar niet altijd is het zo eenvoudig. Op een diepte van 2000 meter heeft de druk het volume samengeperst tot slechts 1/200ste van zijn volume aan de oppervlakte, de druk van het gas erin is 200 maal zo groot en het drijfvermogen is vrijwel verdwenen. Toch blijven vissen roerloos zweven op wel tweemaal die diepte, waarbij het gas in hun zwemblaas een druk uitoefent van meer dan 500 kg per cm2 om de druk van de zee te weerstaan! Maar hoe behouden ze dan hun drijfvermogen? Ze kunnen heel langzaam gas aan hun zwemblaas toevoegen bij het dieper gaan en het weer resorberen bij het stijgen. Maar hoe kan een vis in de diepte gas aan de blaas toevoegen wanneer de druk daarbinnen al zo groot is? Wij moeten het antwoord schuldig blijven. Het mechanisme van deze gaspomp is nog altijd een raadsel.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen