Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g86 22/5 blz. 22-24
  • „Nu ga je eraan!”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Nu ga je eraan!”
  • Ontwaakt! 1986
  • Vergelijkbare artikelen
  • Zij verweerden zich tegen verkrachters
    Ontwaakt! 1984
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Hoe u zichzelf kunt beschermen
    Ontwaakt! 1980
Meer weergeven
Ontwaakt! 1986
g86 22/5 blz. 22-24

„Nu ga je eraan!”

— Een verkrachter dringt een christelijk huis binnen

RUWE handen knepen mijn keel dicht. Ik worstelde om te kunnen gillen.

„Houd op! Houd op met je gegil, dan doe ik je niets”, beval hij, en klemde zijn handen nog vaster om mijn keel.

Maar ik geloofde hem niet, en ik gehoorzaamde hem ook niet. Ik bleef proberen te gillen. Ik klauwde met mijn handen in zijn gezicht, sloeg zijn bril af en rukte hem zijn kunstgebit uit de mond. Terwijl hij worstelde om mij te betasten en in bedwang te krijgen, stootte ik mijn vingernagels diep in zijn oogkassen. En ik gilde. Toen zijn vingers in de buurt van mijn mond kwamen, beet ik zo hard ik kon.

U kunt het geloven of niet, maar ik was niet bang — de angst kwam pas later. Nu was ik alleen maar woedend! Deze schurk moest niet denken dat hij zo maar ons huis kon binnendringen om mij te verkrachten, niet hier en ook niet ergens anders!

Maar hij bleef het proberen. Hij greep een ceintuur die binnen handbereik lag en bond mijn handen op mijn rug — de eerste van verscheidene keren, want ik zag herhaaldelijk kans ze los te werken. Met één arm om mijn nek graaide hij naar zijn gebit en zijn bril die op de grond lagen. Plotseling ontsnapte ik aan zijn greep, wist mijn handen vrij te krijgen en begon, zonder dat ik daar een verklaring voor heb, met dingen in de kamer te smijten en onsamenhangend te schreeuwen, alsof ik stapelgek geworden was.

Even was mijn aanvaller verbijsterd en hij hield op om te vragen: „Wat mankeert je nou?” In die pauze nam ik de benen, maar hij kreeg mij te pakken, bracht mij met geweld naar de slaapkamer en smeet mij op het bed. Nadat hij mijn handen weer vastgebonden had, zag hij kans mij gedeeltelijk uit te kleden. Ik kronkelde en spartelde om hem van mij af te krijgen. Ik gruwde van zijn smerige taal en de smerige daad waartoe hij mij trachtte te dwingen!

Nog eenmaal kreeg ik mijn handen los uit de ceintuur, duwde hem weg en rende naar de buitendeur. Ik kreeg de deurknop te pakken, maar terwijl ik die omdraaide, greep hij mij van achteren beet en smeet mij op de vloer. Ik kon een keukenmes grijpen dat binnen handbereik lag en haalde uit naar zijn benen. „Nu is het afgelopen”, brulde hij. „Nu ga je eraan!” Hij begon op mijn hoofd te beuken en ik verloor het bewustzijn.

Ik zie nu wel in dat ik voorzichtiger had moeten zijn. Ik had er altijd op gelet dat ik buitenshuis moeilijkheden en mensen die moeilijkheden maakten, uit de weg ging. Ik reisde altijd samen met mijn christelijke echtgenoot. Ik meed altijd plaatsen waar zulke misdadigers zouden kunnen komen, en ik kleedde mij altijd bescheiden. Ik had alleen nooit verwacht dat een verkrachter de euvele moed zou hebben mij gewoon in ons eigen huis aan te vallen.

Deze man werkte op een bouwterrein naast ons huis. De aannemer had van ons huis af een elektrische leiding gelegd om stroom te hebben voor het gereedschap op het bouwterrein. Af en toe, als die leiding te zwaar was belast, kwam er een arbeider naar ons huis om bij ons in de kelder een zekering te vervangen. Het was een praktische regeling, maar het was niet verstandig.

Hij was kennelijk van plan geweest mij te overrompelen. Hij moet verwacht hebben dat ik zou verstijven en willoos zou meewerken, in een shocktoestand. Welnu, ik was ook geschokt toen hij op mij aanviel, maar ik gaf mij niet over. Ik heb er ook niet eens bij nagedacht. Het was gewoon een reactie, een ogenblikkelijk losbarsten in een razend gekrijs en geklauw, in trappen en bijten. Dat was het beste wat ik had kunnen doen, want mijn felle tegenaanval verraste hem. Het gaf mij een belangrijke psychologische steun dat ik van de aanvang af wist dat hij noch zichzelf, noch mij helemaal in bedwang had. Het maakte mij des te vastbeslotener om te vechten en versterkte mijn hoop dat ik het zou kunnen winnen.

Ik kwam bij in de passagiersstoel voorin in een auto die zich in het verkeer bewoog. Dezelfde ceintuur zat nu strakgetrokken om mijn nek, als een honderiem, die hij strak gespannen hield terwijl hij reed. Toen mijn brein helder begon te worden, flitste het besef waar ik was en hoe ik daar gekomen was, door mij heen als een brandende lont die al snel mijn woede opnieuw tot uitbarsting bracht.

Met mijn elleboog stootte ik tegen het stuurwiel in een wanhopige poging om de auto van de weg af te dwingen. Ik was ervan overtuigd dat deze waanzinnige zich er nu meer het hoofd over brak hoe hij van mij af moest komen dan hoe hij mij kon verkrachten. Hij zou mij vermoorden zodat ik hem later niet kon identificeren. Hoewel ik uitgeput was van bijna een uur lang ononderbroken worstelen, had mijn hardnekkige verzet ook van hem een tol geëist. Moe en in de war reed hij ten slotte naar de kant van de weg en duwde mij de auto uit. Een andere automobilist stopte voor mij en bracht mij naar een ziekenhuis.

Maar ik had gewonnen! Ik was niet verkracht! Ik was de overwinnaar, niet het slachtoffer! Mijn geweten was rein, mijn zelfrespect en waardigheid waren onaangetast. En ik had mijn rechtschapenheid jegens de Almachtige God, Jehovah, bewaard!

Dat wil niet zeggen dat ik mij de eerstvolgende paar dagen in het ziekenhuis zo verrukt en nobel voelde. Ik was danig van streek, alles deed pijn en ik zag er verschrikkelijk uit. De angst die ik tijdens de aanval niet had gevoeld, sloeg nu in grote golven over mij heen. Allerlei onproduktieve gedachten over wat er had kunnen gebeuren, bleven mij door het hoofd spoken. In deze periode werd ik door rechercheurs ondervraagd en vernam ik tot mijn afgrijzen dat dit monster pas zes weken tevoren voorwaardelijk was vrijgelaten nadat hij een straf wegens verkrachting had uitgezeten!

Op de dag dat ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, kwam het traumatische bezoek aan het politiebureau om uit een groepje willekeurige personen deze man te identificeren. Ja, ik ging een aanklacht indienen. Ik vond dat ik jegens de andere vrouwen die hij zou kunnen aanranden de plicht had ervoor te zorgen dat hij gestraft werd, en ik was het mijzelf verplicht als middel om het kwaad recht te zetten en mijzelf het geruststellende bewijs te leveren dat ik de baas was in mijn eigen leven. Het was gemakkelijk hem in de groep aan te wijzen. Het was de man met het verband om zijn gezicht en zijn hand in het gips!

In het ziekenhuis en in de daaropvolgende weken thuis zijn de vele kaarten, brieven en bezoeken van mijn medegelovigen in de plaatselijke gemeenten van Jehovah’s Getuigen een troost voor mij geweest. Sommigen zeiden dat zij trots op mij waren. Sommigen wisten niet wat zij moesten zeggen, maar door te komen, toonden zij hoe het hun ter harte ging. Sommigen noemden mij een heldin, wat ik, zonder valse bescheidenheid gezegd, niet ben. Toen ik het kwaad niet uit de weg kon gaan, had ik eenvoudig toegepast wat ik uit mijn studie van de bijbel had geleerd, en het werkte.

Omdat ik maar een heel gewoon mens ben, moest ik tijdens mijn herstelperiode heel dikwijls gerustgesteld worden. Ik heb enige bijzonder sombere dagen gehad. Een tijdlang wilde ik mij niet in het openbaar vertonen. Hoewel ik op sommige dagen kans zag mij aardig dapper voor te doen, kan mijn man u wel vertellen dat ik soms domweg zat te beven en nergens troost kon vinden als mijn geest en hart krampachtig probeerden deze nachtmerrie te verwerken en uit te bannen. Waarschijnlijk was de allergrootste bijdrage tot mijn herstel de wetenschap dat ik had gedaan wat juist was. In mijn opgewektere momenten vond ik zelfs een kleine aanleiding tot vreugde. Telkens opnieuw waren deze bijbelverzen voor mij als een zachte deken:

„Ingeval het zou gebeuren dat een maagdelijk meisje met een man verloofd is, en een man haar inderdaad in de stad heeft aangetroffen en bij haar heeft gelegen, dan moet gij hen beiden naar de poort van die stad brengen en hen met stenen werpen, en zij moeten sterven, het meisje, omdat zij niet geschreeuwd heeft in de stad, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste vernederd heeft. Zo moet gij het kwaad uit uw midden wegdoen. Indien de man het verloofde meisje echter in het veld heeft aangetroffen, en de man haar heeft vastgegrepen en bij haar heeft gelegen, dan moet de man die bij haar heeft gelegen, alleen sterven, en het meisje moogt gij niets doen. Het meisje heeft geen zonde waarop de dood staat, want deze zaak is precies hetzelfde als wanneer een man tegen zijn naaste opstaat en hem werkelijk vermoordt, ja, een ziel vermoordt. Want hij heeft haar in het veld aangetroffen. Het verloofde meisje heeft geschreeuwd, maar er was niemand om haar te hulp te komen.” — Deuteronomium 22:23-27.

Ik was innig dankbaar dat ik deze eenvoudige woorden kende. Ze hadden mij geleerd wat mijn morele plicht was. Ze hadden verwarring en onzekerheid voorkomen. Door die woorden had ik precies geweten wat ik moest doen. Ik had geschreeuwd, en bovendien had ik teruggevochten. Ik had vertrouwd op de richtlijnen die in de bijbel staan en ze waren doeltreffend gebleken. Mijn man en ik hebben dikwijls samen gebeden, en mijn sterkte en mijn evenwicht keerden terug.

Ik zou willen dat geen enkele vrouw ooit een poging tot verkrachting hoefde door te maken — laat staan een werkelijke verkrachting. Maar in de Verenigde Staten vindt elke zeven minuten een verkrachting plaats, zo blijkt uit Uniform Crime Reports — Crime in the United States, uitgave van 1983, bladzijde 5, uitgegeven door het U.S. Federal Bureau of Investigation. In mijn geval vertrouwde ik op Jehovah, ik dacht aan zijn woorden, ik schreeuwde. En bovendien vocht ik terug.

Deze voorwaardelijk vrijgelaten verkrachter die mij had aangevallen, kwam mettertijd weer voor. Op 7 februari van dit jaar werd hij veroordeeld wegens de volgende misdrijven: poging tot moord, inbraak, poging tot verkrachting, en ontvoering.

Ons moedige vertrouwen in God moet dus altijd sterker zijn dan enige mensenvrees. Laat de psalm van David ook onze psalm zijn, doordat wij onwankelbaar vasthouden aan deze woorden: „Op God heb ik mijn vertrouwen gesteld. Ik zal niet bevreesd zijn. Wat kan de aardse mens mij doen?” — Psalm 56:11. — Ingezonden.

[Kader op blz. 23]

Waarom u zich van het eerste ogenblik af tegen een aanrander dient te verzetten:

1. Misschien is de aanrander zo verbluft dat hij verdwijnt

2. Misschien kunt u de aanrander onschadelijk maken en vluchten

3. Misschien verliest de aanrander zijn seksuele aandrang of krijgt hij er genoeg van en blaast de aftocht

4. U kunt daardoor de aandacht van anderen trekken en hulp krijgen

5. U zult een zuiver geweten hebben. (Zelfs indien u verkracht wordt, zult u uw zelfrespect of uw reinheid in Gods ogen niet opgeofferd hebben)

6. Letsel dat u een aanrander toebrengt, zal de politie helpen hem later te identificeren (b.v. stukjes van zijn huid onder uw vingernagels)

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen