Kan een blinde „zien”?
Zoals verteld door Bernardo de Santana
„HET is erg jammer, Bernardo”, zei Germiro. „Je deed hier altijd hetzelfde werk als wij; toen kon je nog zien, maar nu . . . zo gaat dat. God wilde het zo, nietwaar?”
„Zo is het, Germiro”, antwoordde ik. „Het is Gods wil, daar kunnen we nu eenmaal niets aan doen.”
Ik meende werkelijk dat het Gods wil was dat ik blind was geworden, maar in mijn hart waren er onbeantwoorde vragen. Daar stond ik dan — 32 jaar oud, ongehuwd, devoot katholiek en in een zwakke financiële positie. Ik vroeg mijzelf af: ’Waarom „wilde” God dat ik blind zou worden? Hoe zal ik ooit voor mijn ouders kunnen zorgen?’ Toen ik voor het eerst merkte dat mijn gezichtsvermogen afnam, zocht ik hulp bij Sint Lucia, de „heilige” die men bij oogziekten aanroept, en knielend voor haar beeld in het ziekenhuis dat haar naam draagt, bad ik vurig tot haar. ’Waarom liet zij me in de steek?’ zo vroeg ik mij af.
Eens verdiende ik mijn brood door groenten te verkopen op de Markt van de Zeven Deuren in Salvador, Brazilië. Het bracht niet erg veel op, maar het betekende vast werk. Vanaf mijn tiende had ik op een boerderij gewerkt in de staat Sergipe. Toen wij naar Salvador verhuisden, was het dan ook een vanzelfsprekende zaak dat ik groenten ging verkopen.
Op een dag merkte ik dat mijn gezichtsvermogen achteruitging. Een specialist constateerde dat ik staar had, maar dacht wel dat ik door een operatie weer goed zou kunnen zien. Na een operatie aan mijn rechteroog in 1960 verbeterde mijn gezichtsvermogen inderdaad iets, maar een tweede operatie aan mijn linkeroog vier jaar later mislukte. Vanaf dat moment was het slechts een kwestie van tijd tot ik volkomen blind zou zijn. Hoewel ik al jaren wist dat ik langzamerhand blind aan het worden was, is het moeilijk uit te drukken wat er door mij heen ging toen het duister ten slotte volledig werd.
Ik bleef op de markt werken, zij het met zekere aanpassingen. Voordat ik naar mijn werk ging, sorteerde mijn familie het geld door de bankbiljetten van verschillende waarde in verschillende zakken te stoppen. Dit stelde mij in staat wisselgeld terug te geven. Maar ik moest voortdurend op mijn hoede zijn om geen vergissingen te maken. Mijn collega’s voelden met mij mee en hun vriendelijke woorden voorkwamen dat ik ontmoedigd raakte. Maar enkele van hun uitspraken, zoals die van Germiro die ik aan het begin van mijn verhaal noemde, deden slechts vragen in mijn geest rijzen.
Ik begin dingen te „zien”
Op dit punt in mijn leven sprak een van mijn kennissen, een getuige van Jehovah genaamd Clovis, met mij over de bijbelse beloften. Hij vertelde mij dat God een Nieuwe Ordening tot stand zal brengen waarin blinden weer zullen zien en doven weer zullen horen (Jesaja 35:5). Zijn woorden troffen een gevoelige snaar in mijn hart. Verlangend om meer te weten te komen, zocht ik hem voortdurend op om vragen te stellen. Toen hij mijn belangstelling opmerkte, vroeg hij: „Bernardo, hoe zou je het vinden als ik op een middag eens bij je langs zou komen om wat meer over de bijbel te praten?” Ik stemde gretig toe. Zo begonnen onze wekelijkse bijbelbesprekingen.
Hoewel gehandicapt, was ik verlangend te leren. Met Clovis’ geduldige hulp ontdekte ik niet alleen de naam van God — Jehovah — maar vernam ik ook over zijn wonderbaarlijke daden in het verleden. Ze vormden de garantie dat Zijn beloften van een rechtvaardige paradijsaarde zullen worden vervuld. Dan zullen zelfs lichamelijke handicaps zoals de mijne er niet meer zijn. Het duurde niet lang voordat ik met anderen over mijn nieuwe toekomstverwachting praatte en zelfs van huis tot huis predikte. Ten slotte werd ik op 18 november 1973 gedoopt. Vooral vanaf dat moment begon mijn leven een werkelijk doel te krijgen, wat het voor mij gemakkelijker maakte mijn handicap te dragen.
Door mijn studie van de bijbel wist ik dat het niet Gods wil was geweest dat ik blind was geworden. Het was veeleer zoals de bijbel in Prediker 9:11 verklaart: „Tijd en onvoorziene gebeurtenissen treffen hen allen.” Zoals alle leden van het mensengeslacht was ik geboren uit onvolmaakte ouders die zonde en onvolmaaktheid hadden overgeërfd van onze eerste menselijke voorouders, Adam en Eva (Romeinen 5:12). God had niet gewild dat ik blind zou worden, het is veeleer zijn wil dat ik weer zal zien. Onder de Koninkrijksregering van Gods Zoon en op basis van zijn loskoopoffer zullen in de naaste toekomst alle onvolmaaktheden en gebreken voor de gelovige mensheid worden verwijderd. Ik begon zo veel dingen te „zien” die ik voorheen, toen ik mijn gezichtsvermogen nog bezat, niet kon zien.
Mijn gebeden waren nu rechtstreeks tot Jehovah gericht in plaats van tot Sint Lucia en andere „heiligen”. In plaats van ervoor te bidden dat er een onmiddellijke wonderbaarlijke genezing zou plaatsvinden, bad ik oprecht dat ’Zijn wil mocht geschieden, gelijk in de hemel alzo ook op aarde’. In mijn gebeden was ook een verzoek opgenomen of ik te eniger tijd een „helper” en „tegenhanger” zou mogen vinden, een vrouw met wie ik vreugde en verdriet zou kunnen delen.
Toen ik op een dag bezig was mensen in het zakengebied van Salvador bijbelse lectuur aan te bieden, hoorde ik een vrouwenstem zeggen: „Ik ben ook een getuige van Jehovah.” Ik bleef staan om met haar te praten. Zij was de eigenaresse van een kraampje aan de kant van de weg. Ik vroeg: „Is je man ook een van Jehovah’s Getuigen?” Zij antwoordde: „Ik heb geen man. Ik ben niet getrouwd.” Uit die toevallige ontmoeting ontstond een vriendschap, die uitgroeide tot een verkering en op 14 juni 1975 trouwden Ambrosina en ik. Tot op heden is zij nog steeds mijn fijne hulp en tegenhanger. — Genesis 2:18.
Prediken ondanks de handicap
Vanaf het moment van mijn doop verlangde ik ernaar anderen te vertellen over wat ik uit de bijbel had geleerd. Ik was blij dat mijn handicap mij niet belette dit te doen. Hoe verbazingwekkend was het te bemerken hoe mijn gehoor- en tastzin het verlies van mijn gezichtsvermogen in zekere mate compenseerden. Wat een voldoeningschenkend gevoel gaf het mij toen ik voor het eerst alleen van deur tot deur predikte! Ik vroeg mij af of ik niet meer tijd aan dit werk kon besteden. Een gesprek met een reizend opziener van Jehovah’s Getuigen hielp mij die vraag te beantwoorden. Hij haalde een aantal voorbeelden aan van gehandicapte personen, sommigen met ernstiger handicaps dan de mijne, die zowaar als volle-tijdpredikers van het goede nieuws, als „pioniers”, dienst verrichtten. Hierdoor aangemoedigd vulde ik mijn aanvraag voor de hulppioniersdienst in.
Wegens mijn blindheid leverde het pionieren enkele problemen op, maar met de hulp van liefdevolle broeders in de gemeente werden deze allemaal opgelost. Op regenachtige dagen had ik bijvoorbeeld drie handen nodig. In één hand droeg ik mijn tas en met de andere hield ik mijn stok vast. Maar de paraplu? Wat was ik dankbaar voor de „derde hand” die mij werd toegestoken door mijn christelijke broeders die mij in de dienst vergezelden. Er rezen ook moeilijkheden wanneer wij in gebieden werkten waarvan ik de straten niet kende, maar opnieuw kreeg ik hulp van begrijpende broeders.
Hoe vond ik de weg in het predikingsgebied? Gewoonlijk had ik daar geen moeite mee aangezien ik een speciale cursus had gevolgd die blinden in staat stelt zichzelf te redden. Ik leerde hoe ik mijn stok het beste kon gebruiken, hoe ik mijn gehoor en mijn tastzin kon trainen, en hoe ik in en uit bussen kon stappen en trappen op en af kon gaan. Door de cursus werd ik geholpen om vele kleine dingen te leren doen die ik vroeger gedachteloos had kunnen doen. Ik leerde de namen en de volgorde van de straten uit mijn hoofd en hield het rijtje bij als wij ze overstaken. Ik leerde ook mij een mentaal beeld te vormen van elk huis in de straat en op deze wijze was ik in staat nabezoeken te brengen bij personen die belangstelling voor bijbelstudie hadden. En hoewel wij ongeveer twee en een halve kilometer van de Koninkrijkszaal vandaan wonen, heb ik er geen moeite mee er alleen naar toe te gaan.
Hierover hoorde men een reizend opziener die op bezoek was opmerken: „Tijdens mijn bezoek aan de gemeente raakte ik werkelijk onder de indruk toen ik met Bernardo werkte. Hij kent de straten en zelfs de huizen, kan trappen oplopen en gaat heuvels op en af. Ik stond versteld hoe hij de huizen weet te vinden van de personen bij wie hij een bijbelstudie leidt. Wij gingen naar een studie op de derde verdieping van een flat en hij bracht ons er moeiteloos heen.”
Voorbereiding en krachtsinspanningen beloond
Mijn van-huis-tot-huisbediening vereist speciale voorbereiding. Ik leer van tevoren de bijbelteksten die ik wil gebruiken uit het hoofd, en ook op welke bladzijde ze in de bijbel staan. Aan de deur vraag ik de huisbewoner de teksten voor te lezen en noem daarbij de bladzijde, maar als de huisbewoner liever niet wil lezen, citeer ik de teksten uit mijn hoofd.
Als ik een bijbelstudie leid, moedig ik de student aan zich goed voor te bereiden. Vervolgens laat ik hem ten gerieve van mij eerst de vraag voorlezen, dan de paragraaf en ten slotte opnieuw de vraag. Dit helpt mij vast te stellen of hij de vragen juist beantwoordt. Door deze methode te gebruiken heb ik twee personen geholpen tot de opdracht en doop te komen. Ook leid ik bij drie andere gezinnen een bijbelstudie.
Reeds jarenlang heb ik een aandeel aan de theocratische bedieningsschool in onze gemeente. Als ik mijn lezingen voorbereid, laat ik iemand het materiaal hardop voorlezen en neem het terzelfder tijd op de band op. Vervolgens beluister ik de opname en maak in gedachten een schema voor mijn lezing; ook leer ik de bijbelteksten die erin zijn verwerkt uit het hoofd. Dan ben ik gereed om mijn lezing te houden. Ik heb er in ieder geval nooit raad over gekregen dat ik te veel aan mijn aantekeningen gebonden zou zijn! Deze zelfde methode stelt mij ook in staat regelmatig commentaar te geven op de Wachttoren-studie in onze gemeente.
Het jaar 1977 was een mijlpaal in mijn leven als een opgedragen christen. Ik werd aangesteld als gewone pionier, als dienaar in de bediening en als gemeenteboekstudieleider, welke voorrechten ik nog steeds geniet. Ik volg op de gemeenteboekstudie dezelfde methode als bij mijn bijbelstudenten.
Tot besluit nog eens de vraag: Kan een blinde „zien”? Ik kan in onze tijd zo veel bijbelprofetieën in vervulling zien gaan dat ik er daarom ook de noodzaak van inzie anderen te helpen de waarheid te leren kennen die tot eeuwig leven leidt (Johannes 17:3). In geestelijk opzicht heb ik de vervulling ervaren van Jesaja 35:5: „In die tijd zullen de ogen der blinden geopend worden.” Ik heb het volste vertrouwen dat op Jehovah’s bestemde tijd deze profetie ook een letterlijke vervulling zal hebben voor duizenden die net als ik blind zijn geworden. In de tussentijd is het mijn wens naar mijn beste vermogen zijn wil te blijven doen en tevens waardig gerekend te worden om in zijn Nieuwe Ordening van rechtvaardigheid te leven.
[Inzet op blz. 12]
„Hij vertelde mij dat God een Nieuwe Ordening tot stand zal brengen waarin blinden weer zullen zien en doven weer zullen horen”
[Illustratie op blz. 13]
Voor mijn van-huis-tot-huisbediening leer ik de bijbelteksten die ik wil gebruiken uit het hoofd, en ook op welke bladzijde ze in de bijbel staan