„Dit wordt mijn dood!”
Een overlevende van de schietpartij in de Iraanse ambassade vertelt zijn verhaal
„NAAR BUITEN! NAAR BUITEN!” Het korte, steeds herhaalde bevel van de SAS-mannena klonk met grote dringendheid boven het lawaai van het fel brandende gebouw uit. „Eruit! Eruit!” bleven zij aandringen terwijl wij door stof en rook de verduisterde kamer die onze gevangenis was geweest, uit kwamen wankelen en over puin en rommel de trap afstrompelden om ons leven te redden. Snakkend naar adem vanwege de scherpe lucht van de granaten en de verschoten ammunitie en met tranende ogen werden wij de achterdeur van de ambassade uitgeduwd en duikelden wij de tuin in.
De hysterie van dat moment staat mij nog levendig voor de geest. Terwijl ik over het gras rolde, vermengde mijn opwinding zich met snikken van vreugde. „De lucht! De lucht! Ik kan de lucht zien! God zij gedankt!” riep ik keer op keer uit. Wij allen waren zes dagen lang gegijzeld geweest. De nachtmerrie was voorbij, maar de spanning en de druk hadden hun tol geëist.
Ja, ik dankte God dat ik nog leefde, maar nu, meer dan vier jaar later, heb ik zelfs nog meer reden om hem te danken. Laat mij u uitleggen waarom.
Gegijzeld!
Mijn naam is Ali Asghar Tabatabai. Mijn naam Tabatabai getuigt van het feit dat men mij beschouwt als een directe afstammeling van de profeet Mohammed, in mijn geval via de geslachtslijn van zowel mijn vader als mijn moeder.
In 1980 kwam ik naar Londen voor een speciale opleiding in het bankwezen. Toen ik woensdagmorgen 30 april op een holletje mijn trein nog trachtte te halen, wist ik dat mij een drukke dag te wachten stond. Als ik niet zo’n haast had gehad en een paar minuten had gewacht op de volgende trein, zou ik de traumatische ervaringen die zouden volgen, hebben vermeden. Maar met geen mogelijkheid had ik dat kunnen weten!
Allereerst bezocht ik de Iraanse ambassade om een paar kaarten op te halen voor een lezing die ik op de bank zou geven. Ik moest een momentje wachten en nauwelijks was ik gaan zitten of ik hoorde een rumoer bij de ambassade-ingang. Toen stormden zes gemaskerde en gewapende mannen naar binnen en bevalen ons allemaal naar boven te gaan. Binnen enkele minuten waren 26 personen, onder wie ook de politieman die er wachtdienst had, gegijzeld. De snelheid waarmee alles gebeurde was ongelooflijk.
Ik had mij nooit actief voor politiek geïnteresseerd, en mijn religieuze overtuigingen waren wel oprecht maar gingen niet diep. Mijn werkelijke belangstelling lag bij mijn gezin en bij mijn werk. Bij een Londense bank werken was prettig, en deze voortgezette studie zou mij beslist helpen verder vooruit te komen. Hoe weinig besefte ik dat spoedig al mijn waarden op de proef gesteld zouden worden.
Terwijl de politie het gebouw omsingelde en van de buitenwereld afsloot, kwamen wij iets meer te weten over de mannen die ons gevangen hielden. Zij vertelden ons dat zij de ambassade hadden bezet om de aandacht te vragen voor problemen in hun moederland en dat zij ons allemaal tegen de volgende middag zouden doden als de eisen die zij zouden stellen, niet werden ingewilligd.
Met de dood voor ogen — Maar waarom?
Nadat de eerste dag was voorbijgegaan, werd het duidelijk dat de politie-autoriteiten tijd trachtten te winnen en niet zonder meer op de eisen van de bezetters zouden ingaan. De spanning steeg verontrustend. Al deze tijd deden wij allen ons uiterste best om de moed erin te houden. Men had mij de naam „Ali de Bank” gegeven en ik deed al het mogelijke om mijn medegevangenen te amuseren en de spanning wat te verlichten. Nu en dan verzilverde ik denkbeeldige cheques of ontwierp puzzels die de gijzelaars dan moesten oplossen. Het hielp de tijd te verdrijven, maar nog altijd vielen de uren ons erg lang en er was werkelijk niets wat wij daaraan konden doen.
Toen de frustratie van de bezetters toenam, werd het steeds duidelijker dat het leven van elk van ons in groot gevaar verkeerde. Zij dreigden onophoudelijk iedereen te vermoorden, en aangezien zij tot de tanden toe bewapend waren, was dat duidelijk geen loze bedreiging. De spanning werd ondraaglijk. Zo ongeveer om het uur barstte een van de gevangenen in een krampachtig snikken uit — het was angstaanjagend, zenuwslopend. Aangezien ik vloeiend Engels sprak was ik vaak in staat om te bemiddelen, en daardoor kon ik mijn geest verzetten. Maar op een dag opende ik mijn paspoort en daarbinnenin zag ik de foto’s van mijn lieve vrouw en kinderen. Ook ik barstte in tranen uit. Zou ik ze ooit terugzien? Hoe zou mijn vrouw zich hier redden in een vreemd land? Zou nu mijn zoontje net als ik vroeger op zo’n jonge leeftijd al zijn vader verliezen? Ik wilde niet doodgaan — er was zo veel om voor te leven!
Toen ik mijn testament begon te maken, trachtte ik met de leider van de bezetters te redeneren. „Wat gebeurt er als u ons doodt?” vroeg ik. „Onze kinderen zullen komen en jullie kinderen doden omdat jullie ons hebben gedood, en wij zijn onschuldig!” „Het is de wet van de jungle”, was zijn korte antwoord. „Ik ben maar een eenvoudige bankemployé”, vertelde ik hem. „Ik heb niets met politiek te maken en ik wil niet om politieke redenen sterven.” „Hou ermee op om je leven te smeken!” schreeuwde een van de gegijzelde diplomaten mij toe. „Ik ben niet aan het smeken”, antwoordde ik. „Jullie zijn diplomaten. Jullie verdienen een heleboel geld om in dit land te werken en risico’s te nemen. Ik niet, en ik wil niet sterven voor iets waar ik niet achter sta.” Ik had mijn standpunt duidelijk gemaakt.
Wanneer mensen in ernstige problemen verkeren, gaan zij soms vurig bidden. Velen van mijn medegevangenen baden regelmatig en hardop, en dag en nacht kon men herhaaldelijk Allah horen aanroepen. Misschien moet ik uitleggen dat Allah het Arabische woord is voor „God”. In mijn taal, het Perzisch, gebruiken wij het vergelijkbare woord „Khuddah” voor „God”, de Schepper. Vele malen bad ik tot Khuddah, maar ik was van mening dat mijn gebeden onaanvaardbaar zouden zijn omdat ik mij niet kon wassen zoals mij was geleerd dat ik moest doen alvorens te mogen bidden.
Mijn gedachten waren zo onsamenhangend. Ik kon niet begrijpen waarom Khuddah deze verschrikkelijke dingen had laten gebeuren. Mijn hele leven had ik mijn best gedaan. Wat was hij voor soort God om toe te laten dat ik werd gedood, wat naar mijn mening stellig ging gebeuren? Niettemin moest ik toegeven dat ik een leven van genoegens had geleid, waarbij ik alleen aan mijzelf had gedacht. Wat had ik ooit voor Khuddah gedaan? Ja, wat weet ik eigenlijk over hem? vroeg ik mijzelf af.
Op een van zulke momenten deed ik Khuddah een gelofte dat, als mijn leven omwille van mijn gezin op enige manier zou kunnen worden gespaard, ik hem werkelijk zou trachten te vinden en hem voor de rest van mijn leven zou dienen. Ik meende werkelijk wat ik zei.
„Dit wordt mijn dood!”
De dagen kropen voorbij. In vertwijfeling doodden de bezetters ten slotte de eerste gijzelaar en gooiden het lijk door de voordeur van de ambassade naar buiten. Ironisch genoeg was het de diplomaat die mij had gezegd op te houden om mijn leven te smeken. De terroristen verklaarden dat als hun eisen nog steeds genegeerd werden, zij de rest van ons met tussenpozen van 45 minuten zouden doden! Zo gauw dit bekend werd, sloeg de SAS toe — even na zeven uur ’s avonds op de zesde dag. Hun snelle actie was over de hele wereld op het televisiescherm te volgen.
In de ambassade brak een hels kabaal los. Het inslaan van ramen, de explosies van schokgranaten en het snelvuur van machinegeweren verscheurden de stilte. Onmiddellijk stormden drie van de terroristen de kamer binnen waar wij gevangenzaten en begonnen bijna ogenblikkelijk in het wilde weg op ons te schieten terwijl wij op de vloer lagen. Mijn eerste gedachte was: ’Dit wordt mijn dood!’
Ik zag hoe een van hen zich naar mij keerde. Hij hief zijn pistool en vuurde. Ik hoorde en voelde niets, maar enkele seconden later was mijn kleding met bloed overdekt. Ik greep naar mijn jasje in een jammerlijke poging mijzelf te beschermen. Hij richtte een tweede en een derde schot op mij — maar tot mijn verbazing werd ik niet gedood. Hoe was dat mogelijk?
Zoals reeds verteld, werden wij na een kort maar hevig gevecht gered en ijlings naar het ziekenhuis gebracht. Toen de artsen zagen in wat voor toestand ik verkeerde, dachten allen dat ik ernstig gewond was geraakt. Maar een grondig onderzoek bracht niets aan het licht — behalve een kogel (klaarblijkelijk van het tweede schot) die op onverklaarbare wijze in mijn overhemd was blijven zitten en die niet meer had aangericht dan een schroeiplek op mijn rug. Waar kwam al dat bloed dan vandaan? Later ontdekte ik dat het bij het eerste schot uit de gijzelaar naast mij was gegutst. En het derde schot? Toen de politie naar de ambassade terugkeerde, vonden zij de overblijfselen van mijn jasje met in een van de zakken een zwaar verbogen muntstuk van 50 pence. Het had mijn leven gered. Geen wonder dat ik in de politiedossiers een raadselachtig geval word genoemd. Hoe kon iemand drie van nabij afgevuurde schoten overleven zoals met mij was gebeurd? Dit moest wel aan Khuddah te danken zijn, dacht ik.
Mijn belofte nakomen
Ik werd met mijn liefhebbende gezin herenigd, en wij besloten in Engeland te blijven. Maar telkens opnieuw doorleefde ik de nachtmerrie van mijn beproeving. Mijzelf weer aanpassen aan het gewone leven was buitengewoon moeilijk; wat was ik niettemin ontzettend dankbaar te mogen leven! Hoe stond het nu met mijn gelofte aan Khuddah? Ik wist dat ik iets moest doen — maar wat? Ik had geen idee.
Zonder dat ik het wist had mijn vrouw Shirin enkele maanden lang regelmatig exemplaren van De Wachttoren en Ontwaakt! aanvaard, omdat zij ze een goede hulp vond bij het leren van de Engelse taal. Toen later een lid van de plaatselijke gemeente van Jehovah’s Getuigen mij opzocht, luisterde ik beleefd. Ik vond de verwijzingen naar de bijbel interessant en zocht ze op in een Perzische bijbel. Maar toen werd mij verteld dat God, Khuddah, een naam had, was dat nog eens wat anders! Ja, ik had een naam, en ik was trots op mijn naam, en nu toonde de bijbel mij duidelijk dat Khuddah een persoonlijke naam had — Jehovah! Door middel van mijn bijbelstudie leerde ik gretig zo veel over hem als in mijn vermogen lag.
Nu was het mij duidelijk! Khuddah was niet slechts een God voor wie men zich dagelijks op gezette tijden moest neerbuigen om hem aanbidding te schenken, maar hij was een individuele, persoonlijke God met een liefdevol voornemen met de mensheid. Geen God die eenvoudig aanbidding vraagt, maar iemand die zich om een ieder van ons afzonderlijk bekommert — om mij en mijn gezin, persoonlijk! Mijn beeld was compleet. Ik wilde Jehovah graag dienen!
Vanaf dit punt ging het snel, en mijn vrouw en ik zijn nu beiden getuigen van Jehovah. Toen wij werden verwelkomd in de wereldwijde gemeenschap van Jehovah’s volk, overtrof de vriendelijkheid en edelmoedigheid die mijn gezin werd betoond, alle verwachtingen. Onze nieuwe geestelijke broeders en zusters gaven niet alleen hun tijd om ons de waarheid uit Gods Woord te onderwijzen, maar zij voorzagen ook overvloedig in onze materiële behoeften toen wij hier in Engeland een nieuw leven opbouwden.
Herinneringen vervagen met het verstrijken van de tijd, dat is waar. Maar de verschrikking van de zesdaagse bezetting blijft nog steeds in mijn geest voortleven. Nu besef ik echter dat zulke tragische gebeurtenissen spoedig voor altijd tot het verleden zullen behoren. In Jehovah’s Nieuwe Ordening van rechtvaardigheid die nu voor de deur staat, hoeven zulke droevige herinneringen nooit meer ’in de geest te worden teruggeroepen, noch zullen ze in het hart opkomen’ (Jesaja 65:17). Mijn gezin en ik danken en loven Jehovah vol waardering voor zulke grootse beloften.
[Voetnoten]
a Special Air Service, een commando-eenheid van het Britse leger.
[Inzet op blz. 24]
De vriendelijkheid en edelmoedigheid die mijn gezin werd betoond, overtrof alle verwachtingen
[Illustratie op blz. 21]
Ik barstte in tranen uit toen ik de foto’s van mijn vrouw en kinderen zag
[Illustratie op blz. 22]
In vertwijfeling doodden de bezetters op brute wijze de eerste gijzelaar
[Illustratie op blz. 23]
Zo’n muntstuk van 50 pence redde mijn leven