Mijn strijd tot het einde
Miljoenen mensen hebben zich soms met moeilijkheden geconfronteerd gezien, zoals chronische gezondheidsproblemen die geen belofte inhielden voor een snelle oplossing, die werkelijk een strijd tot het einde vereisten. Ik hoop dat mijn ervaring degenen die zulke moeilijkheden hebben, mag aanmoedigen de hoop niet te verliezen maar te blijven vechten. — Zoals verteld door Monika Siebert
IK BEN in Noord-Duitsland als een getuige van Jehovah grootgebracht. Behalve het feit dat ik zonder vader ben opgevoed — hij stierf toen ik nog erg jong was — verliep mijn jeugd heel normaal. Ik groeide op als een onbekommerd, zorgeloos roodharig meisje met een heleboel sproeten en een zonnig humeur. Na verloop van tijd ging ik als pionierster in de volle-tijd predikingsdienst.
Op een woensdag in de maand mei, 16 jaar geleden, liepen Walter, het zevenjarig zoontje van een van de Getuigen, en ik langs de Rijn, op weg naar een dorpje waar wij wilden gaan prediken, toen de kleine Walter mopperde: „Monika, waarom struikel je toch de hele tijd? Wees voorzichtig, anders val je nog.” Ik lachte: „Maak je niet druk, er is niets aan de hand.” Maar al spoedig zou ik ontdekken dat er wel iets aan de hand was. Een week of wat later kreeg ik last van mijn ogen. Alles werd wazig en ik begon dubbel te zien. Maar ik redeneerde mijn angst weg en zei: „Ik heb te veel zitten lezen. Ik heb mijn ogen te veel ingespannen. Misschien heb ik een bril nodig.”
Dus ging ik naar een oogarts om te informeren of ik een bril moest hebben. Tot mijn verbazing zei hij: „Nee, een bril zal u niet helpen. Ik zou u naar een neuroloog willen sturen voor onderzoek.” Ik vond dit nogal eigenaardig maar besloot zijn raad op te volgen. Maar omdat Hannelore, mijn partner, en ik op dat moment vrienden op bezoek hadden, stelde ik het nog even uit.
Getroffen door een ziekte
Een paar avonden later, toen wij met onze vrienden van een van onze christelijke vergaderingen naar huis teruggingen, schoot er als een elektrische stroomstoot een vlijmende pijn door mijn hoofd. Het was alsof iemand probeerde een gat in mijn hoofd te boren. De trillingen die door de rijdende auto veroorzaakt werden, waren bijna ondraaglijk. Zodra wij thuiskwamen, lieten wij de dokter komen en werd ik naar het ziekenhuis gebracht. Ik zal die datum niet gauw vergeten: 5 juli 1968.
Aanvankelijk scheen niemand te weten wat er aan de hand was. Maar de pijn werd tenminste verlicht door medicijnen. Het vermoeden rees dat ik een hersentumor zou kunnen hebben. Om zekerheid te krijgen was er een uitgebreider onderzoek nodig, en daarom werd ik overgebracht naar de universiteitskliniek in Bonn, de hoofdstad van Duitsland, aan de rivier de Rijn.
Wat mij in deze moeilijke periode bijzonder heeft gesterkt, was het ervaren van de liefde van een wereldomvattende broederschap, een broederschap waarvan ik het voorrecht had deel uit te maken. Plaatselijke Getuigen die ik nooit eerder had ontmoet, kwamen mij opzoeken, velen zelfs met een cadeautje. Geen ziekte, hoe ernstig ook, zou mij ooit van die band van liefde kunnen beroven!
Na dagen van martelende onzekerheid werd ik teruggebracht naar de kliniek in mijn woonplaats en werd mij zo voorzichtig mogelijk verteld wat er werkelijk aan de hand was. Ik had een ziekte waar ik zelfs nog nooit van gehoord had: multiple sclerose. In het begin besefte ik niet ten volle wat dit allemaal betekende. En toen de angstaanjagende waarheid: het is een verlammende ziekte waartegen tot op heden geen remedie is ontdekt.
Wat te doen — tobben of handelen?
Ik leerde dat multiple sclerose een ziekte van de hersenen, het ruggemerg en het zenuwstelsel is. De myeline, een vetachtige substantie rondom de zenuwen, wordt vernietigd, waardoor het doorgeven van zenuwimpulsen vanuit de hersenen naar de spieren die zij in beweging moeten brengen, wordt geblokkeerd. Het gevolg is gedeeltelijke verlamming en een verlies van gevoel in de ledematen. Het is een ziekte die zich moeilijk laat behandelen en elk slachtoffer weer op een andere manier treft. Ook is ze hoogst onberekenbaar, zodat de patiënt dikwijls het idee krijgt dat hij genezen is, waarna hij dan onverhoeds toch weer opnieuw getroffen wordt. Die onzekerheid en die onberekenbaarheid zijn slopend voor de zenuwen.
Natuurlijk was ik gedeprimeerd. Mijn plannen voor de toekomst waren nu in nevelen gehuld. Ik had tijd nodig om mij aan te passen. Maar ik was vastbesloten geen zelfmedelijden te hebben en ook zou ik anderen niet toestaan mij zielig te vinden. Ik had de keus om te berusten in de verlammende uitwerking van mijn ziekte of ertegen te vechten. Ik koos voor vechten.
Ik had zo veel dingen om dankbaar voor te zijn. Ik leefde. Mijn geest was actief. En ik kon mijn handen nog steeds gebruiken. Waarom zou ik ze niet gebruiken om brieven te schrijven, en de mensen te vertellen over de schitterende hoop van Gods koninkrijk? Ik kreeg toestemming in de volle-tijddienst te blijven, hoewel de methoden waarmee ik die verrichtte, nu wel heel anders waren. Toch gaf dit mij iets om mij aan vast te klampen, een reden om te blijven vechten.
Dat had Moeder mij geleerd — volhouden. Zij was een getuige van Jehovah geworden toen ik nog heel klein was, dus was ik van kind af aan grondig opgeleid in de wegen van Jehovah. Tegen de tijd dat ik zeven was, ging ik regelmatig met haar mee als zij van huis tot huis ging prediken. Dit was een goede opleiding en schonk mij werkelijk vreugde. Haar voorbeeldige ijver voor Gods koninkrijksbelangen wekte in mij zelfs toen ik nog zo klein was een verlangen om Jehovah met al mijn kracht te dienen. Toen ik 18 jaar oud was, nadat ik mijn school had afgemaakt en een vak had geleerd, volgde ik mijn roeping en nam de volle-tijddienst op mij.
Als ik dit schitterende dienstvoorrecht kwijt was geraakt toen ik ziek werd, zou ik het gevoel hebben gehad dat mij alle grond onder de voeten was weggeslagen. Hoewel mijn kracht bleef wegebben, kon ik wat ik nog over had, gebruiken om Jehovah te aanbidden en hem aldus met al mijn kracht dienen. Dit was een uitermate troostrijke gedachte.
Mijn brievenschrijverij bleef niet zonder resultaten. Zo was er de zestienjarige Claudia, die wegens tegenstand van haar ouders niet thuis de bijbel kon bestuderen. Dus studeerden wij per brief. Zij maakte goede vorderingen, werd een van Jehovah’s Getuigen en is nu ook in de volle-tijddienst.
Intussen deden de artsen hun best mij te helpen. Men probeerde het met baden, massages, verschillende soorten medicijnen, zelfs behandelingen met elektrische stroom. Maar niets bracht werkelijke verbetering.
Een nieuwe behandeling — Intimidatietactieken
De artsen waren vastbesloten de verzwakkende uitwerking van mijn ziekte te vertragen. Op een dag zei het hoofd van de afdeling, terwijl er verschillende doktoren om mijn bed geschaard stonden: „Wij hebben besloten je transfusies met grote hoeveelheden bloed te geven. Sommige mensen hebben daar baat bij gevonden.”
Dit voorstel kwam zo onverwacht dat ik alleen maar heel hard „NEE!” kon schreeuwen. Toen zette ik uiteen welke religieuze redenen ik had om te weigeren (Handelingen 15:28, 29). Het hoofd van de afdeling aanvaardde mijn beslissing, maar de behandelend geneesheer niet. Minstens tweemaal per dag probeerde hij mij tot andere gedachten te brengen, en gebruikte dan het argument dat mijn weigering een verkorting van mijn leven zou betekenen. Maar ik hield voet bij stuk.
Een van de verpleegsters nam haar toevlucht tot een subtielere methode. Ik lag in een eenpersoonskamer, maar mijn bed werd naar het raam geschoven zodat er nog iemand bij kon. Men beweerde dat mijn kamer de enige was met een zuurstofaansluiting. (Later hoorde ik dat dit niet waar was.) Stervende patiënten werden in deze kamer gelegd en kregen zuurstof toegediend terwijl ik gedwongen was hun doodsstrijd aan te zien! Toen twee van hen gestorven waren, wees de verpleegster mij onomwonden op wat er met mij zou gebeuren als ik hun behandelingswijze zou blijven verwerpen. Dit duurde ettelijke dagen, totdat een vriendelijke dame die in het ziekenhuis werkte tussenbeide kwam.
In diezelfde periode speelde een oudere arts mij een medisch tijdschrift en een boek in handen met artikelen over de bloedtransfusiebehandeling die door de artsen zo krachtig werd aanbevolen. Maar in de artikelen werd deze niet als een therapie beschreven; er werd in uiteengezet dat het niets anders dan wetenschappelijk onderzoek ten doel had. Nu ik dit wist, stond ik nog veel vaster in mijn besluit om niet toe te geven.
Uiteindelijk lieten zij de zaak rusten en plotseling was ik het gesprek van de dag. Er werd in de wandelgangen gefluisterd over „het sterke geloof van dat meisje in kamer 327”. Wat was ik dankbaar dat gebed en bijbelstudie mijn verhouding met Jehovah zo sterk hadden gemaakt dat ik mijn liefde voor hem niet alleen „met het woord” door middel van mijn brieven, maar ook „met de daad” kon demonstreren. — 1 Johannes 3:18.
Vastbesloten weer te lopen
Ik probeerde te staan — herhaaldelijk — maar telkens weer zakte ik door mijn benen. Thuis kroop ik op handen en voeten rond en probeerde natuurlijk te lopen maar altijd zonder succes. Maar toen op een dag zag ik werkelijk kans rechtop te staan! Ik kon het volgende bezoek van mijn arts nauwelijks afwachten. Toen ze kwam hees ik mij moeizaam uit bed, duwde mij op mijn voeten overeind — en zakte prompt als een hoopje ellende op de grond in elkaar. Mijn wilskracht was sterk, maar mijn ziekte was sterker. Had het wel enige zin te blijven vechten?
Ik ging naar een ander ziekenhuis, waar de nadruk op revalidatie lag. Ik had nog kracht in mijn armen en daarom werd mij geleerd tegen een muur te gaan zitten en me dan tot een staande houding op te trekken. Later leerde ik in het looprek lopen, waarbij ik mij met mijn armen overeind hield. Het leek zo gemakkelijk, maar in het begin kon ik maar twee of drie pasjes lopen, toen vier, toen vijf — langzaam maar zeker.
Ik bleef optimistisch hoewel mijn artsen zeiden dat ik het, zelfs al zou ik weer leren lopen, nooit meer zonder rolstoel zou kunnen stellen. Tot mijn vreugde hebben zij zich vergist. In juni 1970 kwam ik uit het ziekenhuis en sindsdien heb ik mijn rolstoel niet meer gebruikt! Aangezien elk geval weer anders is, zal natuurlijk niet iedereen zoveel geluk hebben als ik heb gehad.
Wat zal de toekomst brengen?
Zestien jaar zijn voorbijgegaan sinds die eerste struikelende stappen langs de Rijn. Nu, in 1984, loop ik nog steeds zonder kruk. En hoewel mijn vrienden zeggen dat ik mijn zonnige humeur heb bewaard en nog net zo opgewekt ben als vroeger, komt dit gedeeltelijk door mijn pogingen medelijden af te weren. Mijn intiemste vrienden weten dat soms de tranen langdurig en overvloedig stromen. Mijn ziekte is nog altijd ongeneeslijk en er is alle kans dat dat zo blijft totdat Gods nieuwe samenstel van dingen alle dingen nieuw maakt.
Maar niet alles ziet er somber uit. Zeker, er zijn teleurstellingen, maar daar staan veel vreugdevolle ervaringen tegenover. Ik ken veel getrouwe en liefdevolle broeders en zusters en hun aanmoediging is uitermate waardevol. Ik heb geleerd mijn krachten te sparen en mijn levenswijze aan de nieuwe situatie aan te passen. Ik heb geleerd geduld te oefenen en blij te zijn met het kleinste spoortje van vooruitgang. Mijn persoonlijke verhouding met Jehovah is versterkt doordat ik heb ingezien hoe hulpeloos de mens is in zijn strijd tegen ziekte. Alleen Jehovah kan volledige genezing tot stand brengen. Hij heeft beloofd dat hij dat zal doen. — Zie Jesaja 33:24; Openbaring 21:4.
De volle-tijdbediening blijft mij kracht geven, evenals de woorden van Jesaja 41:10, 13: „’Weest niet bevreesd, want ik ben met u. Blik niet rond, want ik ben uw God. Ik wil u sterken. Ik wil u werkelijk helpen. Ik wil u werkelijk stevig vasthouden met mijn rechterhand van rechtvaardigheid.’ Want ik, Jehovah uw God, grijp uw rechterhand vast, Degene die tot u zeg: ’Wees niet bevreesd. Ikzelf wil u helpen.’”
Iedere christen moet ’de voortreffelijke strijd van het geloof strijden’, elk in zijn eigen specifieke levenssituatie (1 Timótheüs 6:12). Maar de strijd is hetzelfde. En op een dag zal onze strijd tot het einde gestreden zijn! Dikwijls denk ik erover na wat het voor mij persoonlijk zal betekenen, als ik Gods belofte in Jesaja 35:5, 6 lees: „Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van den stomme zal jubelen.” — Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap; wij cursiveren.
Van één ding kunt u verzekerd zijn. Als ik door Jehovah word gezegend met eeuwig leven in zijn nieuwe rechtvaardige samenstel, zal er geen hert zo dartel rondspringen als ik!
[Inzet op blz. 17]
„Ik had de keus om te berusten in de verlammende uitwerking van mijn ziekte of ertegen te vechten. Ik koos voor vechten”
[Inzet op blz. 18]
„Mijn intiemste vrienden weten dat soms de tranen langdurig en overvloedig stromen”
[Inzet op blz. 19]
’Mijn verhouding met Jehovah is versterkt doordat ik heb ingezien hoe hulpeloos de mens is. Alleen Jehovah kan volledige genezing tot stand brengen’