Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g84 22/11 blz. 19-22
  • „Van oorlogsvlieger tot vredesduif”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Van oorlogsvlieger tot vredesduif”
  • Ontwaakt! 1984
  • Vergelijkbare artikelen
  • Wat Maria’s voorbeeld ons kan leren
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • „Zie! Jehovah’s slavin!”
    Volg hun geloof na
  • Mariaverering herleeft
    Ontwaakt! 1980
  • „Zie! Jehovah’s slavin!”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2008
Meer weergeven
Ontwaakt! 1984
g84 22/11 blz. 19-22

„Van oorlogsvlieger tot vredesduif”

HET ronkende geluid klonk mij overbekend in de oren. Hoog boven mij werd de blauwe hemel doorkliefd door een B-17, een overblijfsel uit de Tweede Wereldoorlog, net zo’n toestel als ik zelf gevlogen had. Het had nu echter een wel heel andere taak dan bommen werpen. De lading bestond uit brandvertragende chemicaliën, bestemd om het bos te beschermen. Toch werd mijn hart geraakt door het zien en horen van dat oude „vliegende fort”, en werd ik overspoeld door een golf van herinneringen uit de dagen dat ik oorlogsvlieger was — goede herinneringen en akelige herinneringen.

Zolang ik mij kan herinneren, is vliegen mijn hartewens geweest. Mijn broer Robert en ik brachten in de jaren ’30 als opgroeiende kinderen in het noordoosten van Wisconsin (VS) uren door met het maken van vliegtuigmodellen uit balsahout en doek. ’s Zaterdags konden wij haast niet wachten tot wij onze karweitjes af hadden en op de fiets naar het gewestelijk vliegveld konden gaan om te kijken hoe de oude tweedekkers opstegen en landden.

Het verlangen om te vliegen bleef mij bij toen ik volwassen werd. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, nam ik dan ook in november 1942 dienst bij de luchtmacht. Nu kon ik mijn land dienen en ook mijn levensdoel bereiken — vliegen.

Op 4 augustus 1944 kreeg ik mijn zo begeerde vliegersinsigne als tweede luitenant. Tien dagen later trouwde ik met Mary Ann. Vanwege de oorlog werd onze huwelijksreis wat bekort. Het werd een busreis terug naar de vliegbasis.

Ik werd naar Sebring in Florida gestuurd om de beroemde B-17 te leren vliegen. Dit vliegtuig zat vol met geschutskoepels — op zijn rug, buik, neus, kin en staart — in totaal 13 boordkanonnen — en kon drie ton bommen meevoeren. Geen wonder dat het de bijnaam Vliegend Fort kreeg!

In het begin van de lente van 1945 werd ik ingedeeld bij het Achtste Luchtleger, kreeg een gloednieuwe B-17 en werd aangewezen voor oorlogsvluchten vanuit Engeland. Trots noemde ik mijn kist Mary Ann II. Ik was zo gek op die kist dat mijn vrouw mij schertsend van bigamie beschuldigde.

Toch knaagde er iets aan mij, als rooms-katholiek, wanneer ik eraan dacht dat ik steden vol rooms-katholieken moest bombarderen. ’De katholieke priester die op de basis woont,’ zo zei ik tegen mijzelf, ’zal uitkomst kunnen bieden.’

„Als ik een bom gooi op een stad in Zuid-Duitsland en er komen duizend mensen om,” vroeg ik de aalmoezenier, „hoeveel katholieken zouden daar dan bij zijn?”

„Ongeveer 95 procent”, antwoordde hij.

„Welk recht heb ik dan om 950 mensen die dezelfde religie hebben als wij, van het leven te beroven?”

De priester antwoordde: „Wij voeren een rechtvaardige oorlog.”

„Wat bepaalt of een oorlog rechtvaardig is?” vroeg ik.

„Jij verdedigt je land”, zei hij.

„Wij vallen Italië en Duitsland binnen”, zei ik niet-begrijpend. „Zouden zij niet vinden dat zij een rechtvaardige oorlog voeren, omdat zij hun vaderland verdedigen?”

„Nee”, antwoordde hij. „Wij voeren een rechtvaardige oorlog.”

Na dat antwoord begreep ik er nog minder van. Toen vroeg ik de aalmoezenier: „Waarom hebben de paus en de Italiaanse bisschoppen en priesters de Italiaanse troepen gezegend om tegen ons te vechten, en waarom doen Duitse priesters nu hetzelfde bij hun troepen?” Hij klopte mij vriendelijk op de schouder en antwoordde: „Je moet geloof hebben, mijn zoon. De verantwoordelijkheid ligt niet op onze schouders.”

Ik voelde mij ellendig. Het beetje geloof in de Rooms-Katholieke Kerk dat ik nog had, ebde snel weg. Maar al snel werd het dilemma voor mij opgelost. Slechts een week voor mijn vertrek naar Engeland gaf Duitsland zich over en Mary Ann (de B-17, niet mijn vrouw) werd aan de regering teruggegeven. Ik vond een nieuwe werkkring in een detailhandel in timmerhout waarvan ik uiteindelijk mede-eigenaar werd. Tegen die tijd was onze zoon geboren en gingen wij als gezin een geregeld leven leiden.

In 1947 kwam Al Ellquist in ons leven. Hij was een pionier, een volle-tijdbedienaar, van Jehovah’s Getuigen in Wisconsin. Toen enige familieleden van mijn vrouw met Al de bijbel begonnen te bestuderen, ging Mary Ann meedoen.

Dat stond mij allerminst aan. De bijbel was een onbekend boek voor mij. De priester had mij nooit aangemoedigd de bijbel te lezen, en ik had er bezwaar tegen dat mijn vrouw probeerde bij ons thuis een nieuwe religie in te voeren. Ik werd jaloers, zowel op de Getuigen als op hun God, Jehovah. Ik was altijd de mening toegedaan geweest dat de echtgenoot Nummer Eén in huis was, en als de vrouw iets wilde weten, zelfs over de bijbel, behoorde zij het aan haar man te vragen.

Omdat Al mijn vijandigheid aanvoelde, moedigde hij Mary Ann aan een rooms-katholieke bijbel voor mij aan te schaffen. Toen stelde hij haar voor mij neutrale vragen te stellen zoals: „Hoeveel dieren van elke soort nam Noach mee in de ark?” „Wat aten mens en dier in de tuin van Eden?” Ik kende de antwoorden niet maar het maakte beslist wel dat ik er zin in kreeg meer over de bijbel te weten te komen.

Vervolgens probeerde mijn vrouw het met deze aanpak: „Ray, zou jij me misschien kunnen helpen met deze nieuwe dingen die ik uit de bijbel leer. Jij denkt zoveel logischer dan ik. Je zou toch niet willen dat ik iets zou geloven als het niet waar was, hè?”

Ik had geen enkele basis om te bewijzen of iets waar of onwaar was. En toen zij mij begon te vragen waar ze in mijn katholieke bijbel schriftplaatsen over de hel en het vagevuur kon vinden, drong het tot mij door dat ik hulp nodig had. Ik belde de priester op en vroeg hem naar de bijbelpassages die de dingen zouden bewijzen die wij als katholieken geloofden. De priester bekende dat deze leringen niet rechtstreeks in de bijbel te vinden waren, maar zich hadden ontwikkeld uit de theologie van de Rooms-Katholieke Kerk.

Dat antwoord bevredigde mij niet en kon ook niet standhouden tegen de bijbelse vragen waarmee mijn vrouw mij bombardeerde. Gefrustreerd beval ik Mary Ann haar bijbelstudie met de Getuigen te staken.

Maar Al stelde haar voor om, voordat zij haar bijbellessen zou afzeggen, eens te proberen of zij mij niet zover kon krijgen dat ik een maand lang met haar de bijbel zou lezen. Als ik dan na afloop van die maand niet begreep wat ik las, zou Al de bijbel met mij bestuderen.

Ik houd wel van uitdagingen en ik was niet van plan mij er in dit geval aan te onttrekken. Ik kon dit wereldberoemde boek toch zeker wel lezen en begrijpen. Dus begonnen Mary Ann en ik de bijbel te lezen, van Genesis tot en met het vijfde boek van de bijbel, Deuteronomium.

De dertig dagen waren om en Mary Ann vroeg: „Begrijp je wat je leest?” Ik gaf hetzelfde soort antwoord als de Ethiopiër aan de christelijke evangelist Filippus gaf: Nee. Ik had er hulp bij nodig (Handelingen 8:30, 31). Omdat ik een man van mijn woord ben, stemde ik toe in een bijbelstudie met Al — maar met een bijbedoeling. Ik zou hem eens goed onder vuur nemen en Mary Ann laten zien hoezeer Al en die Getuigen zich vergisten.

Iedere week bleef ik, voordat Al zou komen, tot in de vroege uren op, zinnend op manieren om hem in een hoek te praten. Het lukte me niet. Telkens als ik Al een uitdagende vraag toewierp, schakelde hij over op zijn antwoordtactiek: Eerst prees hij mij dat ik zo’n scherpzinnig denker was. Dan zei hij: „Ik weet dat je niet wilt horen wat ik ervan denk. Laten wij eens zien wat de bijbel over deze kwestie zegt.” En op een vriendelijke, liefdevolle en overtuigende manier wist Al mij er dan binnen enkele minuten toe te bewegen over de bijbel te redeneren, zodat er van al mijn uren van hard werken geen spaan heel bleef.

Na ongeveer negen maanden lang al deze gevechten verloren te hebben, gaf ik mij over en begon ernst te maken met mijn bijbelstudie. Ik maakte snel vorderingen en op 19 november 1950 werden Mary Ann en ik gedoopt.

Toen mijn moeder hierachter kwam, riep zij tegen haar priester uit: „Zij verlaten de Kerk!” en smeekte hem mij en mijn broer Robert, die ook al belangstelling aan de dag begon te leggen, te „redden”. Er werden regelingen getroffen voor een bijeenkomst met de priester, mijn moeder en mijn broer, onze echtgenotes en mij ten huize van mijn ouders.

„Je hebt een doodzonde begaan door de religie van je ouders te verlaten”, luidde de beschuldiging van de priester. Ik vroeg: „In welke religie werd de Maagd Maria grootgebracht?” „De joodse”, antwoordde hij. „Is Maria in het joodse geloof gestorven, of is zij als christin gestorven?” vroeg ik. „Zij was een christin”, antwoordde hij. „Dan heeft Maria dus ook een doodzonde begaan door de religie van haar ouders te verlaten?”

Op die vraag en andere met betrekking tot de menselijke ziel, de Drieëenheid en het hellevuur moest de priester het antwoord schuldig blijven. Vanaf dat ogenblik hebben mijn moeder, mijn broer en vrouw vorderingen gemaakt in hun bijbelstudie en uiteindelijk zijn ze door de Getuigen gedoopt. Zeven jaar geleden is mijn moeder in getrouwheid aan Jehovah gestorven.

Mijn vrouw vond al spoedig dat zij als volle-tijdevangeliste moest dienen en in januari 1956, toen onze zoon zeven was en goed en wel op school zat, begon Mary Ann aan de volle-tijdbediening. Maar ik zat aan mijn houthandel gekluisterd. Ik moest voorzien in de fysieke behoeften van mijn gezin, zo redeneerde ik. Maar wat ik eigenlijk wilde, was een groot huis aan de oever van een meer, zodat ik er een vliegtuig met drijvers en ski’s op na kon houden en mijn eigen paradijsje kon beginnen. Bedenk dat ik nog altijd van de vliegerij hield.

Dus bracht ik tien uur per dag door in mijn houthandel om klanten met hun problemen te helpen en kwam doodmoe thuis. Mijn vrouw daarentegen kwam thuis uit de pioniersdienst, bruisend van enthousiasme — verkwikt door de vorderingen van haar bijbelstudent of de belangstelling die zij had aangetroffen.

Mijn geweten begon mij te slaan. Ik besefte dat ik als volle-tijdevangelist werkzaam zou kunnen zijn en toch nog in de behoeften van mijn gezin zou kunnen voorzien. Ik besefte ook dat mijn houthandel fnuikend was voor mijn geestelijke gezindheid. Ten slotte stelde ik 1 juni 1957 vast als streefdatum om met mijn volle-tijddienst als bedienaar van Jehovah’s Getuigen te beginnen.

Ik trof maatregelen om mijn leven anders in te richten. Ik verkocht mijn aandeel in de houthandel. Ik verkocht ons huis en kocht een rijdend huis. Maar daar zouden onze bezittingen nooit in kunnen! Wij leerden echter al gauw dat wij konden leven met heel wat minder spullen dan wij dachten!

Mijn vader stierf in 1962 en na vier jaar in de volle-tijdbediening in het zuidwesten van Minnesota keerden wij naar Wisconsin terug om mijn moeder te helpen. Om in het levensonderhoud van mijn gezin te voorzien, begon ik een klein bedrijfje als huismeester. Mijn eerste baan? Het kantoor van de houthandel waar ik bedrijfsdirecteur was geweest! Was die ervaring even goed voor mijn nederigheid!

In 1969 trouwde onze zoon en mijn moeder was goed verzorgd. Mary Ann en ik vergrootten ons aandeel in de bediening. Wij werden reizende vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap. Ik begon in mijn eerste toewijzing als kringopziener — Noord-Dakota Kring Eén. Ook mijn broer en zijn vrouw, Robert en Lee, begonnen met het kringwerk.

Wij zijn nu in onze zevende toewijzing en wij schatten dat wij zo’n 10.350 broeders en zusters ontmoet hebben. Hoe velen van hen zouden wij gekend hebben als wij dit dienstvoorrecht hadden geweigerd?

Wanneer ik nu terugblik, kan ik zien dat alle zorgen die ik mij over onze levensbehoeften had gemaakt, volslagen ongegrond waren. Mary Ann en ik delen de mening van koning David, die in Psalm 37:25 zegt: „Eens was ik een jonge man, ook ben ik oud geworden, en toch heb ik een rechtvaardige niet volkomen verlaten gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood.” — Zoals verteld door Raymond Hurst.

[Inzet op blz. 20]

Er knaagde iets aan mij, als rooms-katholiek, wanneer ik eraan dacht dat ik steden vol rooms-katholieken moest bombarderen

[Inzet op blz. 20]

Ik voelde mij ellendig. Het beetje geloof in de Rooms-Katholieke Kerk dat ik nog had, ebde snel weg

[Inzet op blz. 21]

Ik beval Mary Ann haar bijbelstudie met Jehovah’s Getuigen te staken

[Inzet op blz. 21]

Ik begon te studeren om te bewijzen dat zij ongelijk hadden maar nadat ik alle gevechten verloren had, gaf ik mij over en begon ernst te maken met mijn bijbelstudie

[Illustratie van Raymond Hurst op blz. 22]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen