Hoe een potlood ze laat „leven”
WIST u dat een van de grootste filmberoemdheden niet eens een mens is? Toch is hij de ster van meer dan honderd Hollywoodfilms en talloze televisieshows. Wie is deze filmster? In het Italiaans heet hij Topolino, in het Chinees Mi Lao Shu, in het Spaans El Ratón Miguelito en voor ons is hij gewoon Mickey Mouse.
Hoe is hij „tot leven gekomen”? Hij begon zijn loopbaan in Walt Disney’s film Steamboat Willie in 1928 en is daarna de beroemdste tekenfilmfiguur aller tijden geworden. Natuurlijk zijn er nog meer die wereldroem hebben verworven — Tom en Jerry, Yogi Bear, de Roze Panter, om er slechts enkele te noemen. De tekenaars die hen tekenen, worden animators genoemd. Om erachter te komen hoe zij werken, sprak Ontwaakt! met animator Bill Kroyer in Hollywood.
Waarom spreekt men van animatiefilms?
Omdat „animeren” betekent „leven geven aan”. En dat is wat wij doen. We kunnen alles laten bewegen en hopelijk levend doen lijken. Toen ik in de Disney Studio werkte, animeerde ik meestal menselijke figuurtjes en sprekende dieren. Maar ik heb ook dansende automobielmotoren voor tv-reclamefilmpjes gedaan, en zingend fruit en groente voor gezondheidsfilms. Wat u ook bestelt, wij kunnen ervoor zorgen dat het beweegt.
Hoe komt het dat zo’n tekenfilmfiguurtje lijkt te bewegen?
De illusie van beweging ontstaat door hetzelfde verschijnsel dat in gewone speelfilms de schijn wekt dat er beweging is. Wanneer u naar een film kijkt, ziet u in werkelijkheid iedere seconde 24 stilstaande beelden voor uw ogen langsflitsen. De lichtgevoelige cellen in uw ogen houden elk beeld een kort momentje vast zodat alle beelden in een vloeiend verlopend, ononderbroken beeld in elkaar lijken over te gaan. Bij animatie tekenen we elk van die 24 stilstaande beelden.
Dat betekent heel wat tekeningen!
Ja, 1440 voor nog maar pas één minuut film.
Maar dat zou voor een film zoals „Sneeuwwitje en de zeven dwergen” meer dan een miljoen tekeningen vereisen!
Nee, het aantal ligt dichter bij de twee miljoen.
Waarom zo veel?
De meeste tekeningen krijgt u nooit te zien omdat ze in de voorbereidende stadia zijn gemaakt en er daarvan uiteindelijk slechts een fractie gebruikt wordt. In een tekenfilm wordt het verhaal niet geschreven, het wordt getekend. Een team van tekenaars maakt honderden schetsjes die op een groot prikbord, een story-board, worden bevestigd. Daaronder komen kleine briefjes die de actie of de dialoog in iedere scène beschrijven. De tekenaars blijven deze schetsen maken en rangschikken totdat het verhaal compleet is. Wanneer zij klaar zijn, vertelt het story-board het hele verhaal van de film in beelden, net als een groot stripboek.
En dan kunt u aan het werk om de karakters te animeren?
Nog niet. Eerst ontwerpt een ander team het hele aanzien van de film, in overeenstemming met een bepaalde stijl. Soms willen we er de sfeer van het Europa van vroeger aan geven, zoals in Disney’s Pinocchio. Een andere keer moet het er modern uitzien. De ontwerpers maken daar een studie van en bepalen hoe de karakters, de kleding, de gebouwen, enzovoort, eruit gaan zien. Vervolgens verdeelt onze regisseur het story-board in scènes. Elke scène krijgt een lay-outtekening, waarop te zien is in welke setting die scène plaatsvindt en waar de karakters zich in die scène bevinden. En dan kom ik aan de beurt.
Wat is het eerste wat u doet wanneer u aan een scène begint?
Ik bestudeer eerst het schema dat me vertelt hoe lang de scène duurt en waar alle geluidseffecten, muziek en woorden komen.
Bedoelt u dat de geluidsband voor de film al bestaat voordat u met tekenen begint?
Natuurlijk. Op die manier weet ik van tevoren welk geluid er te horen is bij ieder gegeven beeldje van de film. Als het figuurtje dat ik teken, op het vijftiende beeldje van mijn scène „au” zegt, teken ik hem op dat beeldje met een wijd geopende mond. Op die manier laat men getekende figuren spreken.
Waarmee tekent u? Pen, potlood, penseel?
Ik gebruik een zacht potlood omdat je dan gemakkelijk iets kunt veranderen of uitgummen. En ik teken op een speciaal soort papier — animatiepapier. Aan de onderkant zitten daar gaten in die passen op pinnen op mijn tekenbord. De pinnen houden de bladen papier in hun goede volgorde en in hun juiste positie ten opzichte van elkaar. Een ander ongebruikelijk kenmerk van mijn tekenbord is, dat er een gat in zit. Over dat gat zit een glasplaat en eronder zit een lamp. Als ik teken, kan ik verscheidene vellen transparantpapier op elkaar leggen en controleren of de tekeningen goed op elkaar aansluiten. Wanneer ik begin te tekenen, maak ik ruwe schetsen, niet meer dan de grondvorm van mijn figuur. Zo kan ik snel werken en toch de beweging die ik wil krijgen, zichtbaar maken.
Maakt u al uw tekeningen eerst in een ruwe vorm?
Wel, eerlijk gezegd, maak ik maar zelden alle tekeningen in een scène. Dat zou mij veel te lang bezighouden. De animator tekent gewoonlijk alleen de belangrijkste tekeningen in een scène. Dit zijn de zogeheten ’uitersten’. Ze laten de voornaamste standen of posities van het figuurtje in de scène zien. Door deze tekeningen tussen mijn vingers heen en weer te bewegen, kan ik mij er een voorstelling van maken hoe de beweging eruit gaat zien. Mijn assistent maakt dan de tussenliggende tekeningen.
De snelheid waarmee het figuurtje beweegt, zal afhangen van het aantal tekeningen tussen die uitersten. Stel dat ik een hoofd teken dat naar links gewend is en een hoofd naar rechts. Als ik daar tien tekeningen tussenvoeg, draait dat hoofd langzaam van links naar rechts. Voeg ik er maar één tekening tussen, dan schiet dat hoofd van links naar rechts.
Maar hoe weet u hoeveel tekeningen ertussen moeten?
Dat is een kwestie van ervaring — en studie. Animators kijken voortdurend naar de wereld om hen heen en observeren hoe allerlei bewegingen verlopen. Weet u hoeveel beeldjes er nodig zijn voor een knipoog? Of wist u dat gewoon lopen een van de moeilijkste dingen is om in een tekenfilm weer te geven? Als u het bestudeert, zult u opmerken dat het een voortdurende cyclus is van naar voren vallen en je evenwicht herwinnen. En geen twee mensen lopen op precies dezelfde wijze. De manier waarop een hond loopt, is ook weer heel anders dan die van een kat of van een olifant.
Wat gebeurt er wanneer u klaar bent met de potloodtekeningen?
Ik film ze. Deze zwart-witfilm wordt een ’potloodtest’ genoemd. Deze film bekijk ik steeds opnieuw, om te zien of ik de actie en de timing kan verbeteren. Dan breng ik die verbeteringen in mijn tekeningen aan en maak een nieuwe potloodtest. Bij de laatste potloodtest hebben mijn assistent en ik onze schetsen opgewerkt tot mooie, foutloze, gedetailleerde potloodtekeningen. Het is gewoon spijtig dat u ze nooit te zien krijgt.
Wij zien ze nooit? Waarom niet?
Omdat ze een bewerking ondergaan die wij ’inkten en verven’ noemen. Elke tekening wordt in inkt nagetrokken op een doorzichtig stuk celluloid, een cel genoemd, en dan geverfd met een speciale verf die op celluloid hecht. Herinnert u zich de lay-outtekening die we voor iedere scène hadden? Die wordt nu in kleur uitgevoerd. We leggen dan iedere cel over de achtergrond en fotograferen het geheel. Omdat we cellen gebruiken, hoeven we niet voor elk beeldje van de film de hele scène opnieuw te tekenen en te kleuren — alleen het gedeelte dat beweegt.
Worden alle animatiefilms op deze wijze gemaakt?
O nee, er zijn een heleboel verschillende technieken. Bij de Canadese Nationale Filmraad hebben ze films gemaakt door hele kleine tekeningetjes rechtstreeks op de film zelf te maken! Een paar van de beste studio’s in Londen tekenen liever direct op cellen in plaats van op papier. Op die manier zullen de oorspronkelijke tekeningen gefotografeerd worden. En er zijn heel wat animatiefilms waarvoor helemaal niet getekend wordt.
Helemaal niet getekend?
Inderdaad. Dat wordt ’stop-motion’ animatie genoemd. Artiesten kunnen poppetjes, kleifiguurtjes — zelfs vormen in zand — in steeds andere posities en standen brengen en met één beeldje per keer fotograferen. Wanneer de film op normale snelheid wordt afgedraaid, lijken de objecten te bewegen en komen ze tot leven! En onlangs heb ik aan een Disneyfilm gewerkt waarbij we alle animatie met behulp van een computer deden. We tekenden in het geheel niets; we beschreven eenvoudig de beelden aan de computer en de computer deed de rest!
Welke toekomstige ontwikkelingen zijn er in animatie te verwachten?
Op technologisch gebied kunnen er nog vorderingen worden gemaakt, zoals inkten en verven met behulp van een computer. Maar er zullen altijd animators blijven die echte tekeningen maken in de stijl van Disney. Alleen de menselijke hand heeft het vermogen zo’n rake tekening te maken met die subtiele uitdrukkinkjes die de toeschouwer doen geloven dat het om een echt wezentje gaat. Als ik mijn werk goed doe, ziet u nooit een tekening; u ziet een karakter, een persoonlijkheid die lacht en huilt, en waar u om geeft. Als Bambi’s moeder doodgaat, dan huilen de kijkertjes in de bioscoop niet om een tekening, maar om een werkelijk karakter.
Er is een moment dat een animator voor het eerst naar zijn potloodtest kijkt en dan dat kleine tekenfilmfiguurtje op het scherm naar hem ziet kijken, een persoontje dat een paar dagen daarvoor alleen nog maar een paar krabbels op papier was. En wanneer dan dat kleine figuurtje zijn mond opent en praat — ik verzeker u dat dat een bijzonder moment is! Dat maakt al het harde werk de moeite waard. Je hebt hem met een potlood „leven” gegeven.
De vragen die wij in ons eerste artikel opwierpen, zijn echter nog niet beantwoord. Is dat geluksgevoel dat wordt opgeroepen door fantasie en amusement, echt? Of bestaat er blijvender geluk? Wordt geluk ooit voor de hele mensheid een realiteit? Roy Brewer, een technicus van de Disney Studio, vond een bevredigend antwoord op deze vragen. Zijn verhaal volgt nu.
[Illustratie op blz. 4]
Een ruwe schets en een uitgewerkte tekening. Een animator moet een figuurtje vanuit iedere hoek en in iedere houding kunnen tekenen
[Illustratie op blz. 5]
In elkaar persen, uitrekken — een tekenfilmfiguurtje kan naar believen vervormd worden
[Illustratie op blz. 6]
De animator „rolt” de tekeningen tussen zijn vingers en bekijkt de beweging
[Illustratie op blz. 7]
Een animator aan zijn verlichte tekenbord