Onverdraagzaamheid vroeger en nu
PLOF . . . plof . . . plof. Zwaar kwam de ijzeren staaf op de ledematen en borst van Jean Calas neer. Daarop werd zijn gebroken lichaam tentoongesteld op een horizontaal wagenrad op een openbaar plein in Toulouse, in Zuid-Frankrijk, waarna het tot as werd verbrand.
Calas stierf op het rad, veroordeeld wegens moord. De dag ervoor, 9 maart 1762, was deze hugenoot (Franse protestant) schuldig bevonden aan moord op zijn zoon. Zijn motief zou zijn geweest te voorkomen dat deze zich tot het katholicisme zou bekeren. Met een plechtige begrafenisdienst werd Calas’ zoon als katholiek martelaar geëerd.
De Franse filosoof Voltaire vermoedde echter dat Calas het slachtoffer was geworden van katholieke onverdraagzaamheid. Na bewezen te hebben dat Calas’ zoon in werkelijkheid zelfmoord had gepleegd, voerde hij drie jaar lang een campagne om overal in Europa de publieke opinie in het geweer te brengen. Voltaires strategie gelukte. Hij wist de Franse autoriteiten er ten slotte toe te brengen de zaak te herzien en op 9 maart 1765 werd Calas postuum onschuldig verklaard. Dit schrijnende geval van vooroordeel tegen de hugenoten werd een van ’s werelds causes célèbres. Voor Voltaire was het de aanleiding tot het schrijven van zijn beroemde Traité sur la tolérance (Verhandeling over de verdraagzaamheid).
Onverdraagzaamheid — Goed of fout?
Weinig mensen zouden proberen een dergelijk fanatisme, vooroordeel en moordzuchtige intolerantie te rechtvaardigen. Niettemin is onverdraagzaamheid onder bepaalde omstandigheden volkomen juist. Moord, diefstal, verkrachting en ontvoering zijn allemaal dingen die in de meeste samenlevingen als onverdraaglijk worden ervaren, en terecht. En hetzelfde gold in het verleden als het om godsdienst ging. Toen Jehovah God de Tien Geboden aan de natie Israël gaf, verklaarde hij dat hij ’een God was die exclusieve toewijding eiste’ (Exodus 20:5). Het gevolg was dat Gods volk ’geen mededinging duldde’ van valse goden (Numeri 25:11-13; zie ook 2 Koningen 10:16). Valse aanbidding was dan ook een halsmisdaad.
Houd echter in gedachte dat God als Soeverein stellig het recht heeft om te bepalen wat hij al dan niet wenst te tolereren op religieus gebied. Mensen bezitten dat recht niet. Toen de Israëlieten de ontaarde, demonen aanbiddende Kanaänieten verdelgden, deden zij dit dan ook op bevel van God (Genesis 15:16; Exodus 23:23, 24). Niettemin gaf God de Israëlieten niet de opdracht land en zee te doorkruisen om de valse aanbidding in andere landen uit te roeien. Ook de christelijke gemeente kreeg niet de autoriteit om ongelovigen terecht te stellen.
De onverdraagzaamheid die tot de dood van Jean Calas — en van talloze miljoenen anderen — leidde, komt dan ook niet van God. ’Maar de wereld is een dergelijke onverdraagzaamheid toch zeker ontgroeid’, zullen sommigen redeneren. Wat leert de geschiedenis? Hoe is onverdraagzaamheid begonnen? Is er reden om te geloven dat dit zeer kwalijke verschijnsel zich weer zal voordoen?
De vervolgden worden vervolgers
De begrippen „vrijheid van godsdienst” en „scheiding van Kerk en Staat” kende men in de oudheid nauwelijks. Heersers werden toen vaak beschouwd als priesters van de voornaamste godheid of zelf als goden bezien. Overwonnen volken namen de goden van hun overwinnaar over of mochten hun eigen goden blijven aanbidden. In feite aanbad men dikwijls dezelfde godheden onder andere namen.
Maar bij de overwonnen joodse natie lag de zaak anders. Na de val van hun natie in 607 v.G.T. bezorgden de joden in de verstrooiing de regeringen waaronder zij nu vielen, het probleem van een religieuze minderheid die de vrijheid verlangde om God volgens hun eigen religieuze wetten te aanbidden. Het gevolg? Vaak bittere vervolging. Wat niet wegneemt dat toen het christendom zijn intrede deed, de joden hun eigen belevenissen schenen te vergeten en verbeten vervolgers van Christus’ volgelingen werden. — Handelingen 3:14, 15; 4:1-3; 8:1.
Ook christenen volgden dit droeve patroon. Eerst waren zij het slachtoffer van joodse onverdraagzaamheid. Weldra kregen zij met tegenstand uit een andere hoek te kampen. Hun weigering heidense goden of vergoddelijkte heersers te aanbidden, bracht de eerste christenen in conflict met de centrale en plaatselijke autoriteiten van het Romeinse Rijk.
Na verloop van tijd werd het een halsmisdaad Christus’ naam te dragen en grote aantallen christenen werden ter dood gebracht. Golven van vervolging hielden aan tot 313 G.T., toen Constantijn samen met zijn medekeizer Licinius om politieke redenen het Edict van Milaan uitvaardigde en daarmee religieuze verdraagzaamheid binnen het Romeinse Rijk verordende. Constantijn maakte het „christendom” uiteindelijk tot de bevoorrechte religie van het Romeinse Rijk — een stoutmoedige poging om een uiteenvallend rijk te consolideren door heidendom en christendom te laten samensmelten.
Het „christendom” echter viel uiteen in elkaar bestrijdende sekten. Twee steden, Byzantium (later Constantinopel genoemd) en Rome, beweerden elk de zetel van de ware kerk te zijn. Beide waren onverdraagzaam jegens personen die het op leerstellige punten met hen oneens waren. De vervolgden waren opnieuw de vervolgers geworden.
Katholieke onverdraagzaamheid
De katholieke canonieke wet verklaart: „Wees er ten volle van overtuigd en betwijfel geenszins dat elke ketter of scheurmaker met de Duivel en zijn engelen deel zal hebben aan de vlammen van het eeuwige vuur, tenzij hij voor het einde van zijn leven wordt opgenomen in en hersteld tot de Katholieke Kerk.” En tot op deze dag vermeldt de eed van trouw van rooms-katholieke bisschoppen: „Met al mijn macht zal ik ketters vervolgen en bestrijden.” Zo werd onverdraagzaamheid in het katholieke denken ingebouwd. Maar ter rechtvaardiging van deze houding verklaart de gezaghebbende Franse Dictionnaire de Théologie Catholique: „Als behoedster van geopenbaarde waarheid, geloof en zeden kan de kerk geen verbreiding tolereren van enige leer die de gelovigen in hun geloof kan schaden.”
De Katholieke Kerk heeft dan ook vaak „ketters” opgespoord, hen veroordeeld en vervolgens overgedragen aan de wereldlijke autoriteiten om hun straf te ondergaan. The New Encyclopaedia Britannica schrijft: „In de staatskerk [na Constantijn] — vooral na keizer Theodosius in het laatste deel van de vierde eeuw — werd ketterij een misdrijf waarvan de bestraffing op het terrein van de staat kwam te liggen. De vijand van de kerk werd eveneens beschouwd als de vijand van het rijk. Vandaar dat de bisschoppen op de rijkssynoden van de 4de tot de 8ste eeuw trachtten de andersdenkende minderheid tot ketters te verklaren en hen als vijanden van de staat uit te schakelen.”
De kerk gebruikte ook de wereldlijke autoriteiten om haar onverdraagzaamheid te tonen tegenover de joden, de moslims, de Katharen en de Albigenzen (vroeg in de dertiende eeuw in een „heilige oorlog” in het zuiden van Frankrijk afgeslacht), ketters en Europese protestanten. Weliswaar werd het grootste deel van dit bloed vergoten door het „wereldlijk zwaard”, maar in zijn in 1302 uitgevaardigde bul Unam Sanctam verordende paus Bonifatius VIII dat het „wereldlijk zwaard” zich moest onderwerpen aan het „geestelijk zwaard” van de kerk en „gebruikt moest worden voor de Kerk . . . onder leiding van de geestelijke macht” (The Catholic Encyclopedia, Deel 15, blz. 126). De Katholieke Kerk kan zich dus niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor het bloed dat ten gevolge van haar beleid van religieuze onverdraagzaamheid vergoten is.
Protestantse onverdraagzaamheid
De Katholieke Kerk had echter niet het monopolie van religieuze onverdraagzaamheid. Onder aanvoering van de theoloog Johannes Calvijn voerden protestanten hun eigen schrikbewind. De in Zwitserland geboren protestantse historicus Philip Schaff gaf toe: „Tot grote vernedering van de protestantse kerken duurden de religieuze onverdraagzaamheid en zelfs vervolging tot in de dood nog lang na de Hervorming voort. In Genève werd deze kwaadaardige theorie door kerk en staat in praktijk gebracht, waarbij men zelfs van marteling gebruik maakte en kinderen als getuigen tegen hun ouders liet optreden, dat alles met de sanctie van Calvijn.” En toen zijn theologie over predestinatie en de Drieëenheid werd aangevallen door respectievelijk Jérôme Bolsec en Michael Servet, liet Calvijn de eerstgenoemde uit Genève verbannen en de laatstgenoemde arresteren en als ketter berechten. Servet stierf op de brandstapel. Ook andere „ketters” werden in het calvinistische Genève verbrand, met de goedkeuring van protestantse theologen als Theodorus Beza.
Maarten Luther gaf eveneens van grote onverdraagzaamheid blijk. Hij werd niet alleen „berucht om zijn antisemitisme” maar liet zelfs vier „heksen” in Wittenburg verbranden.
Niet lang daarna zouden Frankrijk en Duitsland verscheurd worden door wrede godsdienstoorlogen in de zestiende en zeventiende eeuw, waarbij zowel door katholieken als protestanten gruweldaden werden bedreven.
De opkomst van wereldlijke onverdraagzaamheid
’Maar de mens moet toch wel geleerd hebben van zijn fouten in het verleden’, denkt u misschien. En inderdaad hebben de kerken de laatste tijd van een meer tolerante houding blijk gegeven dan in het verleden. Maar, zegt The New Encyclopaedia Britannica: „De erfenis der christelijke onverdraagzaamheid en de daarbij ontwikkelde methoden (bijv. de inquisitie of hersenspoeling) werkt door in de onverdraagzaamheid van de ideologie en technieken van de hedendaagse politieke revoluties.”
Ja, terwijl in sommige opzichten de religieuze onverdraagzaamheid binnen de christenheid afneemt, heeft onze generatie een opleving van politieke en raciale onverdraagzaamheid te zien gegeven. Deze wereldlijke onverdraagzaamheid is inderdaad een „erfenis der [zogenaamd] christelijke onverdraagzaamheid”. De nazistische Holocaust of uitroeiing van zo’n zes miljoen joden is daar één voorbeeld van. En men citeert wel de woorden waarmee Hitler zijn onverdraagzaamheid ten aanzien van de joden rechtvaardigde: „Ik ga gewoon door met hetzelfde beleid dat de Katholieke Kerk al 1500 jaar huldigt.” Andere dictators sedert Hitler hebben gebruik gemaakt van hersenspoeling en geestelijke en lichamelijke martelingen in hun strijd tegen ideologische „ketters”. Jehovah’s Getuigen bijvoorbeeld zijn vaak wegens hun politieke neutraliteit het mikpunt van een dergelijke onverdraagzaamheid geweest. Op Cuba werd een Getuige totaal uitgekleed, met prikkeldraad omwikkeld en boven op een dak gezet als menselijk aas voor hongerige muskieten. In een ander land werden vijf Getuigen gearresteerd en dagenlang ernstig bedreigd en geslagen. Een van hen moest wegens zijn verwondingen in het ziekenhuis worden opgenomen. In drie landen in noordoost-Afrika werden Getuigen gevangengezet. (Wel 5 procent van hen in één land!) Velen werden gemarteld en drie zelfs omgebracht. Ja, fanatieke politieke heersers hebben veel van de kerken geleerd wat betreft het tot zwijgen brengen van andersdenkenden.
Zou het echter kunnen zijn dat de kerken zelf het slachtoffer van wereldlijke onverdraagzaamheid dreigen te worden? Hoe diepgeworteld is de zogenaamde verdraagzaamheid van onze tijd eigenlijk? En hoe sterk leeft de oecumenische gedachte? Is ze een teken van grotere verdraagzaamheid of slechts van grotere onverschilligheid tegenover religie? En hoe is dit alles, tot slot, op ons persoonlijk van invloed? Is het mogelijk een krachtige religieuze overtuiging te hebben zonder onverdraagzaam te zijn? Deze vragen zullen in het volgende artikel worden beschouwd.
[Inzet op blz. 6]
’De erfenis der christelijke onverdraagzaamheid werkt door in de technieken van de hedendaagse politieke revoluties’
[Kader op blz. 5]
Onverdraagzaamheid kent geen grenzen
„Weinig mohammedaanse naties . . . zijn voorbeelden van verdraagzaamheid. Maar staan ze daar alleen in? Door de inquisitie en de godsdienstoorlogen is de christenheid met bloed besmeurd en de vrome lieden die de Verenigde Staten stichtten, bezagen de Indianen en de negers als iets minder dan mensen. Hetzelfde geldt thans voor hun tegenhangers in Zuid-Afrika. Wat betreft de aanbidders van de Rede, hun bewind viel helaas samen met het bewind van de guillotine. ’Het wetenschappelijk socialisme’ [het communisme] heeft het er, waar het aan de macht is, al niet beter afgebracht.” — De Franse nieuwsbladredacteur André Fontaine, in Le Monde.