Geven en nemen
Vogels, sprinkhanen en andere insekten zouden in werkelijkheid wel eens een goede daad kunnen verrichten wanneer ze van de gewassen op de akker eten. Ook dit schijnt een van die door geven en nemen gekarakteriseerde onderlinge betrekkingen te zijn die er in de wereld om ons heen bestaan.
De sleutel tot dit delicate evenwicht is een hormoon dat wordt aangetroffen in het speeksel van vele vogels, insekten en zoogdieren en ook de mens. Het wordt EGF (epidermal growth factor, epidermische groeifactor) genoemd en er is van bekend dat het stimulerend werkt op de groei van de cellen, de produktie van eiwit en DNA versnelt en zelfs bijdraagt tot de genezing van wonden. Iedere keer dus dat een vogel in een maïskolf pikt, betaalt hij de plant daar royaal voor terug in de vorm van de miniem kleine hoeveelheden EGF die hij achterlaat.
Dr. Melvin Dyer, een dierkundige, heeft zo’n tien jaar lang met EGF geëxperimenteerd. Hij bemerkte dat rijpende maïskolven die met bepaalde hoeveelheden van het hormoon waren ingespoten, groter werden en meer eiwit produceerden dan de kolven waarbij dat niet was gebeurd. De moeilijkheid is echter te weten te komen wat de precieze hoeveelheid is die men van het hormoon moet injecteren. „Te weinig EGF heeft hoegenaamd geen effect en te veel kan de plant zelfs in zijn groei belemmeren”, zegt hij. De juiste hoeveelheid blijkt een 700.000ste deel van een gram te zijn — precies de hoeveelheid die een sprinkhaan iedere keer dat hij zich een maaltje verschaft, op de maïskolf achterlaat.
Hoe valt dit nu te verklaren? Schepping vormt het enige bevredigende antwoord.