Maken kleren de priester?
Paus Johannes Paulus II is klaarblijkelijk van mening dat degenen die zijn kerk vertegenwoordigen, moeten opvallen wanneer zij zich in een menigte bevinden. Zijn „Pauselijk schrijven over de verplichting van de klerikale kleding” bracht de priesters, nonnen en monniken van Rome onder de aandacht dat zij verplicht zijn hun religieuze gewaad te dragen om zich te onderscheiden ’van de wereldlijke omgeving waarin zij leven’. „Als gezanten van Christus die uitgezonden zijn om het evangelie te verkondigen,” zo verklaarde hij, „moeten wij een boodschap overdragen, een boodschap die zowel door woorden als door uiterlijke tekenen tot uitdrukking wordt gebracht.”
Kardinaal Ugo Poletti, de vicaris-generaal van Rome, haakte hierop in met een drie bladzijden tellende brief aan alle betrokkenen waarin hij verklaarde dat „het religieuze gewaad of de toog verplicht is bij liturgische vieringen, bij het toedienen van de sacramenten en bij de preek, en ten sterkste wordt aanbevolen in het milieu van iemands eigen pastorale bediening”.
Maar wij vragen: Zijn gewaden of andere onderscheidende kledingstukken noodzakelijk om ’de boodschap van het evangelie over te dragen’? Klaarblijkelijk konden Christus en zijn apostelen de christelijke boodschap ’overdragen’ zonder er anders uit te zien dan hun broeders. Jezus zei zelfs dat het een van de fouten van de religieuze leiders van zijn tijd was dat zij zich op zo’n wijze uitdosten: „Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten [aan hun gewaden] groot.” In plaats van zichtbaar van elkaar te verschillen, beklemtoonde Jezus over christenen: „Gij hebt maar één Meester [Christus] en gij zijt allen broeders.” Kan er worden gezegd dat de ware geest van broederschap wordt weerspiegeld wanneer sommigen zich afzonderen door onderscheidende kleding te dragen? — Matth. 23:3-12, Willibrordvertaling.