Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g83 22/4 blz. 19
  • Een fascinerende relatie

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een fascinerende relatie
  • Ontwaakt! 1983
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vlinders, planten en mieren — Een driehoeksverhouding
    Ontwaakt! 2001
  • Schoonheid in de lucht
    Ontwaakt! 1988
  • Mier
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Mier
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Ontwaakt! 1983
g83 22/4 blz. 19

Een fascinerende relatie

Er bestaat een vlinder die een fascinerende relatie onderhoudt met rode mieren. Hoe ontwikkelt zich zo iets?

In het begin van de zomer legt het vrouwtje van het Europese grote blauwtje of tijmblauwtje (Maculinea arion) haar eitjes op de bloemen van de wilde tijm. Eenmaal uit het eitje gekropen, voedt de rups zich tot na haar tweede vervelling hoofdzakelijk met deze bloempjes. Daarna laat ze zich, op zoek naar iets anders, op de grond vallen.

Wanneer ze door een rode bosmier wordt gevonden, gedragen beide zich als oude bekenden. Met haar sprieten en poten begint de mier de rups te betrommelen. Als gevolg hiervan scheidt de rups een druppeltje honingdauw af uit een klier op haar tiende segment. De mier zuigt het gulzig op, en ten slotte gaan ook andere mieren aan het feestmaal deelnemen.

Wanneer de segmenten van het borststuk van de rups opzwellen, vat de oorspronkelijke mier dit op als het teken om haar nieuwe kennis naar het mierennest te vervoeren. Ze houdt de rups met haar kaken juist achter de vergrote segmenten vast. Dan wordt de rups voor een fikse tijd ondergebracht in een kamer vol jonge mierelarven, en die vormen haar nieuwe voedsel. In ruil daarvoor krijgen de mieren de zo begeerde honingdauw.

Het verpoppingsstadium van de rups begint in de lente van het volgende jaar, en drie weken later begint een volwassen vlinder met slappe, verfrommelde vleugels door de gangen van het mierennest te kruipen. Geen mier houdt hem tegen. Buiten, in het licht van de zon, komt dan de voltooiing van het proces dat de vleugels van de vlinder de stevigheid geeft die hij nodig heeft om ermee te kunnen vliegen.

De buitengewone relatie tussen mieren en deze speciale vlindersoort doet een aantal pittige vragen rijzen voor degenen die de evolutietheorie aanvaarden. Hoe moet een mier iets te weten zijn gekomen over de klier op het tiende segment van de rups, en wat brengt deze er op haar beurt toe honingdauw af te scheiden? Hoe zou de rups kunnen leren hoe ze zich moet gedragen om door een mier naar het nest getransporteerd te worden? Waarom zouden de mieren de volwassen vlinder toestaan ongehinderd uit hun nest te kruipen? Zulke vragen vinden wèl een antwoord wanneer men aanvaardt wat in Genesis 1:20-25 staat, namelijk dat ’God ertoe overging elk gevleugeld vliegend schepsel te scheppen, . . . en al het zich bewegende gedierte van de aardbodem naar zijn soort’. Ja, geen blind toeval, maar doelbewust ontwerp vormt de verklaring.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen