Leven met alcoholisme
AL WEKENLANG had mijn man niets anders gedaan dan drinken, dag en nacht. Hij raakte bewusteloos, kwam bij en begon weer te drinken. Hij was ontslagen en onze financiële situatie werd met de dag slechter. Zijn gezondheid was achteruitgegaan en ik had geen idee hoe lang hij nog in leven zou blijven. ’Waar moet dit toch op uitlopen?’ vroeg ik me af.
Voordat ik u de afloop vertel, wil ik eerst even uitleggen hoe wij op dit kritieke punt in ons leven belandden.
Ik ontmoette mijn man in 1947 op een bal. Hij had al wat op voordat hij binnenkwam. Tegen het einde van de avond stond hij bovenop de tafel te dansen. Later die week kwam hij me opzoeken. Die keer was hij nuchter en ik genoot van zijn gezelschap. Wij hadden veel dingen gemeen en dus kregen wij verkering.
De avond dat hij me ten huwelijk vroeg, had hij een fles sterke drank bij zich, maar hij was niet dronken. Wij praatten uitvoerig over de ernst van het huwelijk en het stichten van een gezin. Het lag beslist niet in mijn bedoeling met een alcoholist te leven, vertelde ik hem. Daarop gooide hij de fles weg en beloofde me dat hij zijn laatste slok had gedronken. Ik was zo gelukkig!
Maar niet lang nadat we getrouwd waren, begon hij weer te drinken. In de jaren die volgden, werd ik steeds banger voor hem. Hij was zo onberekenbaar. Hij was net een vulkaan die op het punt stond uit te barsten.
Hij bleef niet alleen zwaar drinken, maar hij begon ook te gokken op zijn werk, waardoor wij ernstige financiële problemen kregen. Elke betaaldag hadden we ruzie. Hij wilde mij steeds minder geld geven zodat hij steeds meer kon drinken. Herhaaldelijk kreeg ik kwitantielopers aan de deur.
’Hoe kan hij me zo behandelen en dan zeggen dat hij van me houdt?’ vroeg ik me af. Daar ik een deeltijdbaan had, bracht ik soms het geld in waarmee we de rekeningen betaalden.
Soms kon ik me niet meer inhouden. Ik smeekte: „Zie je dan niet wat je doet? Je dochter en ik zijn één en al zenuwen!”
„Je overdrijft!” snauwde hij terug. „Ik drink maar een glaasje of twee. Ik drink nog geen fles in de week leeg.” In werkelijkheid dronk hij een fles per dag!
Mijn leven was vol tegenstrijdigheden. Af en toe bracht hij bloemen of iets lekkers voor me mee. ’Hij houdt toch van me!’ Dan voelde ik me schuldig omdat ik zulke verschrikkelijke dingen van hem had gedacht. Omdat hij zo aardig was, moest dat drinken van hem mijn schuld zijn, dacht ik. Als ik maar kon veranderen, dan zou hij misschien niet zo veel drinken.
Hij beloofde dan te minderen en na een paar dagen wist ik zeker dat hij met mijn hulp het drinken kon laten. Maar tegen het eind van de week haalde hij de verloren tijd weer in — door meer te drinken dan ooit. Dan overviel me een gevoel van radeloosheid.
Verscheidene keren ging hij naar de Anonieme Alcoholisten. Zij praatten over alcoholisme, maar hij vond dat hij daar niet naar hoefde luisteren. Zijn problemen lagen thuis, vond hij. Opnieuw werd mijn hoop de bodem ingeslagen. Ik had het idee dat ik in een val zat, en gevoelens van woede overvielen mij.
Mijn emoties doorliepen steeds een hele cirkel — vreugde, schuldbesef, afkeer van mezelf, wrok, bitterheid, haat tegen hem, de wens dat hij wegging, de vrees dat hij het zou doen. Het scheen hopeloos.
Na een aantal jaren geprobeerd te hebben hieraan het hoofd te bieden, verloor ik alle controle over mezelf. Op een dag voelde ik me ten einde raad; ik stapte in de auto en begon gewoon maar te rijden. Ik kwam uit bij een waterstroom. Het was zo kalm en vredig. Op de oever gezeten, dacht ik aan de hopeloosheid van mijn situatie. De kalmte van het water leek wel een magneet. Als ik me nu eens gewoon in het water kon laten glijden . . .
Plotseling hoorde ik een stem die me iets toeriep. Een vrouw die in de buurt woonde, had me gezien en was komen kijken of alles in orde was met me. Daarop stapte ik in m’n auto en reed naar huis.
Niet lang hierna werd de situatie nog erger. Mijn man ging over zelfmoord praten en beschreef me zelfs hoe hij het zou doen. „Zonder mij zul je beter af zijn”, zei hij. Aan de ene kant was ik blij dit te horen, maar tegelijkertijd was ik vertwijfeld!
De volgende ochtend wist ik dat ik iets moest doen. Ik nam contact op met de AA en zij verwezen me naar een vrouw in mijn omgeving die een soortgelijke situatie had meegemaakt. Zij beval mij een plaatselijke groep aan die bestond uit familieleden van alcoholisten. Dus woonde ik een paar bijeenkomsten bij.
Zij hielpen mij in te zien dat het drinken van mijn man toch echt niet aan mij te wijten was. Hij dronk al voordat ik hem ontmoet had. De aanwezigen schenen zichzelf goed in de greep te hebben. Zij waren opgewekt en bespraken hun gevoelens openlijk. Zij leefden bij de dag. Dat moest ik ook doen! En ook al bleven de problemen dezelfde, ik moest beseffen dat ik m’n handen al vol had aan de zorgen van vandaag. Ik herinnerde me Jezus’ woorden in Matthéüs 6:34: „Weest dus nooit bezorgd voor de volgende dag, want de volgende dag zal zijn eigen zorgen hebben.”
Terzelfder tijd scheen het me toe dat sommigen van de vrouwen daar tamelijk verbitterd waren en gevoelens van wrok koesterden jegens hun man, en over hem klaagden en zijn fouten beschreven. Daar deed ik liever niet aan mee; ik zei niets.
Terwijl ik hen hoorde praten over het leven met een alcoholist, leerde ik echter een aantal nuttige dingen. Het belangrijkste dat ik leerde, was dit: Ik moest mijn man niet beschermen tegen de gevolgen van zijn drinken, zoals ik tot dusver had gedaan. In plaats daarvan moest ik hem helpen beseffen wat een problemen zijn drinken veroorzaakte. Er was heel wat kracht nodig om zo veel jaren van negatief denken te overwinnen, maar ik was vastbesloten. Ik begon deze suggesties in praktijk te brengen.
Het duurde niet lang of er deed zich een gelegenheid voor. Wij moesten babysitten bij onze kleinzoon, die ziek was en koorts had. Daar ik even weg moest, vroeg ik mijn man op de jongen te letten. Ik haalde hem van zijn werk en waarschuwde hem niet te drinken. Hij verzekerde me dat hij goed op de jongen zou passen.
Kort nadat ik weg was gegaan, belde mijn dochter op om te horen hoe het met de jongen was. Tot haar verbazing nam haar zoontje de telefoon op. „Opa slaapt”, legde hij uit. Mijn dochter was doodsbenauwd! „Schud ’m hard heen en weer en probeer ’m wakker te krijgen.” Maar mijn kleinzoon kon opa niet wakker krijgen — hij was bewusteloos geraakt door de drank. Daarop hing mijn dochter de telefoon op en haastte zich naar huis.
Ongeveer een uur later, nadat ik thuis was gekomen, kwam hij eindelijk bij. Hij vroeg waarom we hem niet wakker hadden gemaakt. Omdat hij nog dronken was, zeiden we niet veel. Vroeger zou ik het daarbij gelaten hebben. Ik zou te bang zijn geweest om iets te zeggen. Maar nu wist ik dat ik hem niet kon beschermen tegen de gevolgen van zijn drinken. Hij moest weten wat er was voorgevallen. De volgende ochtend confronteerde ik hem er dus mee door tot in bijzonderheden te beschrijven wat er was gebeurd. „Besef je wel wat er met onze kleinzoon had kunnen gebeuren?” vroeg ik. Het maakte diepe indruk op hem. „Dat kind had door mijn schuld wel dood kunnen zijn”, gaf hij toe.
Toch dronk hij op een keer een paar maanden later weer de hele avond. Maar toen hij de volgende dag opstond, vroeg hij me hem naar het ziekenhuis te brengen. Hij kon er niet meer tegenop. Ik liet hem de dokter opbellen en de regelingen treffen. Toen wij bij het ziekenhuis aankwamen, meldde hij zichzelf voor opname en bleef twee maanden onder behandeling.
Wel, er zijn nu verscheidene jaren verstreken en ons leven samen wordt steeds beter. Het is voor geen van beiden gemakkelijk geweest. Wij moeten voortdurend onze denkwijze en beweegredenen behoeden.
Er is nog iets wat voor mij een geweldige hulp is geweest — mijn verhouding tot Jehovah. Daardoor ben ik geholpen de bitterheid en wrok die ik koesterde te overwinnen, want ik wist dat Jehovah geen behagen heeft in dergelijke gevoelens, ongeacht wat mijn man had gedaan (Kol. 3:13, 14). Wat geruststellend was het Jehovah te leren kennen als een liefdevolle en barmhartige Vader, die niet zoekt naar onze fouten! Mijn schuldgevoelens ebden nu grotendeels weg. — Ps. 103:9-12; 130:3, 4.
Daar ik dag en nacht bad, schonk hij me zijn geest en kracht. Door mijn christelijke overtuiging regelmatig met anderen te delen, was ik in staat mijn hoop levend te houden. Ik ben ook zeer dankbaar voor de christelijke vergaderingen die ik bijwoon en de liefdevolle omgang met christelijke broeders en zusters. Zonder hen had ik het, denk ik, niet gered.
Natuurlijk ben ik blij dat ik heb geleerd met een alcoholist te leven. Dat ik leerde bij de dag te leven, was een grote hulp om m’n zorgen meester te blijven. Vooral de wetenschap dat ik m’n man niet moest beschermen tegen het ondervinden van de gevolgen van zijn drinken, heeft mij geholpen. Ik weet niet wat er zonder dit inzicht gebeurd zou zijn. — Ingezonden.
[Inzet op blz. 23]
Ik moest hem helpen beseffen wat een probleem zijn drinken in zijn leven veroorzaakte
[Illustratie op blz. 22]
Het belangrijkste dat ik leerde, was dat ik mijn man niet moest beschermen tegen de gevolgen van zijn drinken, zoals ik tot dusver had gedaan