Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g83 8/3 blz. 3-7
  • De bittere geschiedenis van suiker

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De bittere geschiedenis van suiker
  • Ontwaakt! 1983
  • Vergelijkbare artikelen
  • Is suiker in onze tijd zoet?
    Ontwaakt! 1983
  • Suikerriet — Reus onder de grassen
    Ontwaakt! 2000
  • Het laatste nieuws over tandplak
    Ontwaakt! 1982
  • Miljoenen worden slaven
    Ontwaakt! 1995
Meer weergeven
Ontwaakt! 1983
g83 8/3 blz. 3-7

De bittere geschiedenis van suiker

IN HET jaar 1829 lichtte in een kleine Westindische haven een zeilschip van 300 ton het anker, en richtte, op de open zee gekomen, de boeg naar het zuid-zuidoosten. Aan boord bevonden zich haar kapitein, haar stuurman en vijfenvijftig haveloze ruwe kerels van verschillen de nationaliteiten, huidkleur en achtergrond — allen bemanningsleden. In haar ruim had ze zestien korte ijzeren kanonnen, kruit, 24-ponds kanonskogels, handgranaten, een lading Westindische rum, een gemengde lading kralensnoeren en andere artikelen, en voedsel en verdere voorraden. Aan dek lagen op voor- en achterschip musketten, munitie en steekwapens weggeborgen.

Na zesenzeventig dagen te zijn gebeukt door stormachtige winden en een schuimende onrustige zee, bereikten schip en bemanning hun bestemming — een Portugese haven in Mozambique aan de oostkust van Afrika.

Na slechts acht dagen van ontladen en het innemen van een nieuwe lading koos het kleine vaartuig weer zee op weg naar Cuba, veertien grotere schepen achterlatend die nog voor anker lagen totdat ze hun ruim met een zelfde lading konden vullen.

Terwijl het schip diep in het water liggend, haar dek bijna voortdurend overspoeld door de woeste zeeën, zich een weg door de golven ploegde, was de retourlading een zaak van constante bezorgdheid voor de bemanning. In haar ruim was een uitermate kostbare lading weggestouwd — achthonderd zwarte mannen, vrouwen en kinderen; allen zonder uitzondering naakt, alle hoofden kaalgeschoren, allen gebrandmerkt. Een kostbare lading voor de suikerplanters in West-Indië, wier slaven zij zouden worden en wier oogsten van suikerriet zij in het zweet van hun aanschijn in suiker zouden veranderen; een kostbare lading ook voor de eigenaars en de kapitein van het schip, voor wie de winsten uit de verkoop van de slaven meer dan honderdduizend dollar konden bedragen.

Twee aan twee met voetboeien aan elkaar geketend, dicht opeen in elkaars schoot zittend, keken degenen die aan stuurboord een plaats toegewezen hadden gekregen, naar voren en die aan bakboord naar achteren.

De lezer moet zich een zaal trachten voor te stellen waarin achthonderd mensen zitten — om zich vervolgens dat aantal in elkaar geperst te denken in een kleine ruimte van nog geen anderhalve meter breed en ter lengte van een spoorwagon, letterlijk „op elkaar gepakt als sardientjes”. Nadat het ruim op deze wijze was gevuld, was de rest van de slaven aan dek vastgeketend.

Achthonderd doodongelukkige mensen op zee. Een van de grootste rampen die een slavenhaler kon treffen, was dat aantal tot bijna de helft te zien verminderen voordat zij Cuba bereikten. Pokken! Alleen al het woord vervulde de bemanning met vrees wanneer bij het eerste slachtoffer in het ruim de ziekte was uitgebroken. De verschrikkelijke plaag verbreidde zich als vuur. Lijk na lijk werd overboord gezet. Vierhonderd tachtig slechts bleven er over van een lading van achthonderd. Ook de kapitein van het schip overleefde het niet.

Vanaf het begin waren er zelfzuchtige individuen die de kans schoon zagen een graantje mee te pikken van de grote vraag naar suiker en zich ook in deze nieuwe handel stortten. Zendelingen en missionarissen in Afrika lieten hun klerikale gewaad en hun kudden in de steek en zorgden ervoor ook aan hun portie te komen door hun zwarte bekeerlingen te verkopen aan de slavenhandelaars. Zelfs de paus, Nicolaas V, gaf de slavenhandel zijn zegen toen hij zag welke inkomsten de suikerhandel zou opleveren.

Slavenschepen doorploegden in dermate gestage opeenvolging de wateren tussen Afrika en de westerse wereld dat als elk schip een blijvende voor had kunnen trekken, er in een paar korte jaren alleen al tussen Afrika en West-Indië een diepe kloof tot op de oceaanbodem zou zijn ingekerfd. Op open zee werd piraterij bedreven om de zwarte huiden te bemachtigen die in de ruimen geketend en weggeborgen lagen. Vandaar de noodzaak voor kanonnen en handvuurwapens om hun kostbare lading te beschermen.

Men moet bedenken dat hebzucht niets en niemand ontziet. Hebzucht beïnvloedde zowel de blanke als de zwarte. De slavenhandelaar hoefde het niet te stellen zonder handlangers onder de Afrikanen. Als de verlokking groot genoeg was, zette ze zwarte tegen zwarte op, familielid tegen familielid, stam tegen stam. Zo ontwikkelde zich de systematische eenvoud waarmee slavenhalers hun levende koopwaar konden opkopen. Zwarte vrouwen verkochten hun eigen slaven, de buit van stammenoorlogen, voor een nieuw snoer kralen. Krijgers vochten heviger om als overwinnaar uit de strijd te komen en de overwonnenen voor een vaatje rum te kunnen verkopen. Aangezien munten destijds niet bekend waren in Afrika, vulden de slavenhalers hun ruimen met de noodzakelijke voedselvoorraden en verder met artikelen die voor de blanke van weinig waarde waren maar door de zwarte als weeldeartikelen werden beschouwd waarvoor hij zijn zwarte broeders wilde uitleveren. Op deze wijze werd de hebzucht van allen bevredigd.

Hoeveel Afrikanen de overtocht van het ene continent naar het andere overleefden om hun spierkracht dienstbaar te maken aan de winstgevende suikercultuur, is niet bekend. Eén moderne en voorzichtige schatting spreekt van vijftien miljoen. Een Britse historicus zei: „Het zal geen overdrijving zijn om de totale tol van de slavenhandel op twintig miljoen Afrikanen te stellen, waarvan twee derde op rekening van de suiker moet worden geschreven.”

Beste lezer, kan uw geest dit omvatten: ontworteld te worden uit uw land, ja uw werelddeel, en weggevoerd over zee in een reis die maanden duurde, om dan, aan land gebracht, in kooien geplaatst te worden en in openbare verkopingen verhandeld te worden, elk gezinslid individueel, zodat velen elkaar nooit weer zouden terugzien? Ah, de prijs van suiker was zo hoog dat ze niet in geld uitgedrukt moest worden maar in levens! Terwijl de schepen de zee ploegden, ploegden suikerplanters hun land om daar nog meer riet op te laten groeien en nog meer te kunnen produceren van dit zoete witte goud dat suiker werd genoemd.

Hoewel suikerriet in de westerse wereld tot ongeveer de zestiende eeuw een betrekkelijk zeldzaam artikel bleef, was het al tijdens de regering van Alexander de Grote bekend. Suikerriet werd in het jaar 325 v.G.T. door een van zijn soldaten in India ontdekt.

In Nero’s tijd, de eerste eeuw Gewone Tijdrekening, kan een Griekse arts hebben gedacht dat hij als eerste de bron van suiker ontdekte. „Er is”, zo schreef hij, „een soort harde honing die saccharum (suiker) wordt genoemd, en die op rietstengels in India wordt gevonden. Het is korrelig als zout en bros tussen de tanden, maar al met al zoet van smaak.”

Men kreeg de smaak van suiker te pakken. Suikerriet werd uit het Verre Oosten naar Europa overgeplant. De Arabieren brachten het mee naar Egypte en Perzië, en naar Spanje toen zij dat land in de achtste eeuw veroverden. En de volgende tweehonderd jaar werd in Europa alleen in Spanje suiker gewonnen.

Vanuit Spanje bracht Christophorus Columbus op zijn tweede reis stengeldelen van suikerriet naar het westelijk halfrond en plantte ze uit in wat nu bekendstaat als de Dominicaanse Republiek in West-Indië. China moest en zou deze zoete lekkernij ook bezitten en zond mannen naar India om zich te laten inwijden in het mysterie van het winnen van suiker uit riet. Jaren later beschreef Marco Polo China’s suikerfabrieken als een van de grote wonderen van dat land.

De kruisvaarders, onder leiding van de pausen en met hun zegen, hadden getracht Jeruzalem op de Turken te veroveren. Zij keerden huiswaarts met opgewonden verhalen over deze vreemde nieuwe zoetigheid die suiker heette. Spoedig ontstonden er handelsroutes tussen de Oost en Europa waarlangs suiker werd aangevoerd. Maar suiker was duur en alleen de rijken konden het kopen. Nog in 1742 werd suiker in Londen voor ƒ 8,35 per pond verkocht. Toen de armen dit zoete handelsartikel proefden, raakten ook zij eraan verslaafd. Vooruitziende regeerders zagen prachtige nieuwe mogelijkheden van inkomsten voor hun schatkisten opdoemen. De roep om suiker begon overal op aarde gehoord te worden.

Spanje en Portugal zagen bepaalde landen rijk worden door de suikerhandel met India. Ze wilden ook meedelen in de buit. Prompt zonden zij zeilschepen de onbekende zeeën op om een nieuwe en snellere route naar India te vinden. Columbus was een van degenen die gingen, maar wat hij in plaats daarvan vond was West-Indië. En zijn vergissing was zeer lonend want hier vond hij het klimaat en de grond die perfect geschikt waren voor het verbouwen van suikerriet.

Vervolgens kwamen de Spaanse kolonisten de inheemse bevolking hun land ontnemen. De oorspronkelijke bewoners werden hun slaven maar bleken voor het werk in de rietvelden praktisch onbruikbaar. In 1510 gaf koning Ferdinand van Spanje dus zijn toestemming voor het transport van een schip vol slaven uit Afrika. Dit was het begin van de gewetenloze handel in mensenlevens over de zeeën. Ze duurde meer dan driehonderd jaar voort.

Engeland pochte niet voor niets dat haar vloot de grootste was van zeven zeeën. Toen het goede moment was gekomen om zich in de suiker- en slavenhandel te begeven, arriveerde haar machtige vloot in West-Indië en verjoeg de Spanjaarden. Spoedig was Engeland het wereldcentrum van de suikerindustrie. „De aangenaamheid, glorie en grandeur van Engeland is meer bevorderd door suiker dan door enig ander artikel, wol niet uitgezonderd”, zei een tot de adelstand verheven Engelsman uit die periode.

Engelands kijk op de slavenhandel en het ongelooflijke leed dat daarmee een volk werd aangedaan, kan het best worden samengevat in wat een bekende politieke persoonlijkheid van dat land zei: „De onmogelijkheid om het zonder slaven te stellen in West-Indië zal altijd verhinderen dat de handel wordt afgeschaft. De noodzaak, de absolute noodzaak, om ermee voort te gaan moet dan ook, aangezien er geen ander is, het excuus ervoor vormen.” En de handel ging voort. Voldoende is de volgende opmerking uit de achttiende eeuw, toen de slavenhandel ten behoeve van de suikercultuur op haar toppunt was: „Er arriveert geen vat suiker in Europa waaraan geen bloed kleeft.”

De Engelsen kwamen kennelijk tot een overeenkomst met hun Afrikaanse medeplichtigen ten aanzien van een gereduceerd tarief bij grote afname. Vandaar dat een Britse lord pocht: „Wat de aanvoer van negers betreft, wij hebben zo’n duidelijke superioriteit in de Afrikaanse handel dat wij de slaven een zesde goedkoper kunnen verkrijgen.”

Aangezien het voor allen duidelijk was dat suiker niet langer een voorbijgaande rage was maar zich een blijvende plaats had verworven, en dat slaven uit Afrika onontbeerlijk waren om de suikerindustrie draaiende te houden, was dé grote vraag die alle betrokkenen bezighield: Hoe lang kan die aanvoer van slaven blijven duren voordat de voorraad is uitgeput? Een gouverneur aan de Afrikaanse Goudkust schreef: „Afrika kan West-Indië niet alleen van slaven blijven voorzien in de hoeveelheden waartoe ze tot nu toe in staat is geweest, maar zo nodig kan ze er nog duizenden, ja miljoenen, meer leveren.”

Dit zou echter niet gebeuren. Reeds waren er krachten aan het werk die hevig gekant waren tegen de onmenselijke handel in zwarte mensen, en overal ter wereld verhieven zich stemmen in protest. Elk middel werd te baat genomen om hun boodschap over te brengen en slavernij uit te bannen. Merk bijvoorbeeld deze in omloop gebrachte advertentie op: „B. Henderson China Warehouse — Rye Lane Peckham, maakt met verschuldigde eerbied aan de vrienden van Afrika bekend een assortiment suikerschalen te kunnen aanbieden waarop in gouden letters staat ’Oostindische suiker, niet gemaakt door slaven’.” Vervolgens werd er gezegd: „Een gezin dat vijf pond suiker per week gebruikt, zal door gedurende 21 maanden Oostindische suiker te gebruiken in plaats van Westindische, de slavernij of moord van één medemens verhinderen. Acht van zulke gezinnen zullen in 19 1/2 jaar de slavernij of moord van 100 verhinderen.”

In de loop der tijd nam het ene land na het andere nieuwe wetten aan die de slavenhandel verboden. De Verenigde Staten, die voordien hun suiker van hun zuiderbuur Cuba hadden betrokken, wierpen zich echter zelf op de suiker- en slavenhandel, en de zuidelijke staat Louisiana met haar nieuw ontwikkelde suikerplantages werd daarvan het brandpunt. Slaven die men daar niet kon gebruiken, kon men wel plaatsen op de katoenplantages in het zuiden.

Meer dan drie eeuwen lang had koning Suiker oppermachtig geheerst en een schatting geëist die alle verbeelding tart. Er is geen artikel dat met zo veel ellende en mensenbloed ontrukt is aan de bodem, uit de zeeën, de lucht of de ingewanden der aarde, als suiker. Hoe zoet is ze nu! Vroeger was ze bitter als gal.

[Inzet op blz. 6]

Achthonderd doodongelukkige mensen op zee. Een van de grootste rampen die een slavenhaler kon treffen, was dat aantal tot bijna de helft te zien verminderen voordat zij Cuba bereikten

[Inzet op blz. 6]

Zendelingen en missionarissen in Afrika lieten hun klerikale gewaad en hun kudden in de steek en zorgden ervoor ook aan hun portie te komen door hun zwarte bekeerlingen te verkopen aan de slavenhandelaars

[Inzet op blz. 7]

De slavenhandelaar hoefde het niet te stellen zonder handlangers onder de Afrikanen. Als de verlokking groot genoeg was, zette ze zwarte tegen zwarte op, familielid tegen familielid, stam tegen stam

[Inzet op blz. 7]

„Het zal geen overdrijving zijn om de totale tol van de slavenhandel op twintig miljoen Afrikanen te stellen, waarvan twee derde op rekening van de suiker moet worden geschreven”

[Illustratie op blz. 4]

Zwarte vrouwen verkochten hun eigen slaven voor een nieuw snoer kralen

[Illustratie op blz. 5]

„Er arriveert geen vat suiker in Europa waaraan geen bloed kleeft”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen