Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g82 22/12 blz. 26-27
  • „Hij zal een jongetje zijn”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Hij zal een jongetje zijn”
  • Ontwaakt! 1982
  • Vergelijkbare artikelen
  • Van onze lezers
    Ontwaakt! 1983
  • Als je huwelijkspartner ontrouw is
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (publieksuitgave) 2019
  • Een opticien zaait een zaadje
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Openbaring 21:4 — ‘Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen’
    Bijbelverzen uitgelegd
Meer weergeven
Ontwaakt! 1982
g82 22/12 blz. 26-27

„Hij zal een jongetje zijn”

WAT doen ouders wanneer zij worden geconfronteerd met de tragedie dat zij een kind hebben gekregen en weten dat het spoedig weer zal sterven? Is er iets wat de pijn kan verlichten en het gemakkelijker kan maken het onvermijdelijke onder de ogen te zien?

Hier volgt een verslag hoe één gezin op zo’n situatie reageerde, zoals verteld wordt door de moeder:

„Toen onze zoon stierf, zei een kennis: ’Het was Gods wil.’ Wat waren wij dankbaar dat we konden antwoorden dat de God van de bijbel nooit heeft gewild dat zulke dingen zouden gebeuren. Dood en lijden vormden nooit een deel van zijn oorspronkelijke voornemen ten aanzien van de mensheid, maar ontstonden alleen omdat de eerste ouders van de menselijke familie verkozen de wijze instructies van hun Schepper te negeren.

Noch natuurwetten noch ook morele wetten kunnen ongestraft overtreden worden, en zo is, zoals de bijbel in Romeinen 5:12 zegt, ’door bemiddeling van één mens de zonde de wereld binnengekomen en door middel van de zonde de dood, en heeft aldus de dood zich tot alle mensen uitgebreid omdat zij allen gezondigd hadden’. Adam en Eva konden aan hun kinderen niet meer de volmaaktheid doorgeven die zij door hun ongehoorzaamheid verloren hadden. Dat is de reden dat wij allen onvolmaaktheid hebben geërfd, met alle pijn en verdriet en lijden en de dood die daarvan het gevolg zijn geweest. Deze wetenschap heeft er veel toe bijgedragen dat mijn man en ik mentaal tegen vier heel moeilijke jaren opgewassen waren.

Laat mij iets van onze kleine jongen vertellen. Sasha werd in oktober 1975 geboren, en hoewel zijn geboorte vijf weken te vroeg was, scheen hij redelijk sterk. Wij hadden onmiddellijk liefde voor hem opgevat. De artsen schenen zich wat zorgen te maken over Sasha, maar pas toen hij drie maanden was vertelde de kinderarts ons dat hij spastisch was, hetgeen betekende dat hij een hersenaandoening had die zijn spieren erg stijf maakte.

Tegen de tijd dat Sasha zes maanden was, wisten we dat zijn problemen ernstig waren. Hij had praktisch geen controle over enig deel van zijn lichaam behalve zijn mond. Hij kon zijn hoofd niet ophouden, of zitten, of iets vastpakken. Hij vond het erg moeilijk om te glimlachen of die kleine pruttelgeluidjes te maken die baby’s gewoonlijk produceren als zij met taal beginnen te experimenteren. Ook had hij een slechte beheersing over de spieren die worden gebruikt voor slikken, zodat het voedsel heel gemakkelijk in zijn keel bleef steken, of alles er weer uitkwam. Maar met veel voorzichtigheid en geduld konden wij er gewoonlijk voor zorgen dat hij iets binnenhield. Het ergste was echter dat wij vernamen dat hij waarschijnlijk ook nog blind was.

Het spreekt vanzelf dat het leven heel moeilijk was voor ons, maar vooral voor onze kleine jongen. Ik ben er zeker van dat hij zich net zo gefrustreerd voelde door zijn beperkingen als wij. De eerste paar maanden huilde hij haast voortdurend, zo leek het wel. Maar wij geloofden dat hij beter bij ons thuis kon zijn dan in een tehuis, en nu weten wij zeker dat dit de juiste beslissing is geweest. De bijbel zegt: ’Liefde faalt nimmer’ (1 Kor. 13:8). Wij hebben beslist ervaren dat dit waar is. De liefde van Jehovah en van onze christelijke broeders en zusters heeft ons door vele moeilijke situaties heen geholpen, en de liefde die wij voor onze zoon hadden, gaf hem een reden om te leven en hielp hem vol te houden wanneer hij niets anders leek te hebben om voor te leven.

Tegen het einde van zijn eerste jaar glimlachte hij tegen ons. Wat waren we verrukt! Het betekende zo veel voor ons, omdat hij over praktisch geen andere manier van communicatie met ons beschikte dan huilen.

Wij hebben nooit kunnen vaststellen hoeveel hij begreep, maar wij probeerden hem dingen op een eenvoudige manier uit te leggen in de hoop dat iets van de informatie voor hem begrijpelijk zou zijn — dingen als onweer, bloemen, het gezang van vogels, wat wij aan het doen waren en waarom. Wij probeerden de vragen te beantwoorden die hij naar ons idee gesteld zou hebben als hij dat had gekund.

Maar wij probeerden Sasha vooral te helpen begrip te krijgen van geestelijke dingen. ’Jehovah is de vader van ons allemaal’, zei ik bijvoorbeeld, ’en hij houdt van ons allemaal, net zoals Papa en ik van jou houden. Hij wil niet dat iemand ziek wordt of zich pijn doet, en er komt spoedig een tijd dat hij alles veel, veel beter zal maken dan het nu is. Dan word je niet meer ziek, en dan kun je helemaal zelf rechtop zitten en met je speelgoed spelen; je kunt dan zien, en lopen, en praten en al die dingen doen die andere kinderen doen. Dan kun je met ze spelen en allerlei fijne dingen leren.’

Wij konden hem deze dingen vertellen omdat wij zeker wisten dat ze bewaarheid zouden worden onder het bestuur van het koninkrijk waarom Jezus ons leerde bidden (Matth. 6:10). Wij wisten dat de bijbel in Openbaring 21:4 de wonderbaarlijke belofte bevat: ’En [God] zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.’ Ook wisten wij dat als de dood ons zou scheiden, ’er een opstanding zal zijn van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen’. — Hand. 24:15.

Ondanks al onze inspanningen om hem tegen infecties te beschermen, kreeg Sasha een longontsteking en hierop volgden nog andere problemen. Hij werd geleidelijk magerder en zwakker en toen hij drie jaar oud was, woog hij nog maar dertien en een half pond. Dapper manneke — hij heeft er zo voor gevochten om te blijven leven en hij waardeerde altijd wat wij voor hem deden. Zelfs een paar uur voordat hij stierf, wist hij nog voldoende kracht te verzamelen voor een grote glimlach en een zwakke zucht die ons, welsprekender dan een dichter het had kunnen uitdrukken, vertelde: ’Ik hou van jullie.’

Toen Sasha een paar weken voor zijn dood in het ziekenhuis was, zei een van de verpleegsters die ook bij vorige gelegenheden heel lief voor hem was geweest, en die het heel goed meende, tegen me: ’Hij wordt een engel.’ ’Nee’, zei ik, ’hij zal een jongetje zijn. Hij zal in bomen kunnen klimmen en vlinders achternazitten en bloemen plukken, en al die dingen doen die kleine jongetjes gewoonlijk doen. Daar vragen wij om wanneer wij bidden: „Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde”’ (Matth. 6:10).” — Ingezonden.

„Want [Christus] moet als koning regeren totdat God alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan.” — 1 Kor. 15:25, 26.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen